Zoek de overeenkomst tussen narcisme toen en nu

Veel psychoanalytisch geïnspireerde kunst zou Freud ontzettend tegen de borst stuiten. Kunstenaars zagen het gezicht vaak al als ‘landschap van de ziel’ toen zijn psychoanalyse hen motiveerde om de ziel en driften achter de huid bloot te leggen. Niet doen, zei Freud, beteugel die driften. Maar de psychoanalyse kwam tegelijk op met avant-gardes, en zo zagen kunstenaars twee goede redenen om herkenbare representatie te laten wegvallen. Dat levert een gevarieerde tentoonstelling op in Museum Arnhem, dat zelfportretten brengt uit de periode 1900 tot 2015.

Gerrit van ‘t Net scheidde al schilderend hoofd en lijf (1932), Hendrik Valk verstopte zijn hoofd achter een spiegel en wajangpop (1937). Onze identiteit is fluïde, lijkt de conclusie. En oplosbaar in iets groters, bewijzen abstraherende kunstenaars voor wie het gezicht ergens maar bijzaak is.

Voorheen was het zelfportret een marginaal genre, nu promoveerden ze zichzelf tot thema. ‘Kijk hier ben ik,’ roept de eerste zaal uit met een zelfportret van Carel Willink (1937), een hoekige kop van Charley Toorop (1934), een onbeschaamd naakt van Katharina Behrend (1908) die aanhanger was van de Freikörperkultur. En toch zie je hier geen echt narcisme: het zelfportret was vooral een middel om iets te zeggen over de mens in het algemeen, over eenzaamheid, kunstenaarschap, psychologie.

Portretten zijn nogal in: na ‘Faces’ in het Bozar en Nederlands Fotomuseum heeft nu het Mauritshuis een tentoonstelling van zelfportretten. Het hangt in de lucht. En dat komt ook door de vele zelfbeeltenissen nu op social media. Maar juist door die actualiteit overheerst in Arnhem het gevoel van een gemiste kans. De tentoonstelling loopt door tot nu, 2015, zonder verdiepende vergelijking met de huidige explosie aan selfies. Vooruit, de term valt in de tentoonstellingsteksten. En het publiek wordt uitgedaagd om selfies te maken: Willem Popelier maakt een do-it-your-selfieguide met tips (vermijd gedateerde poses, probeer eens een kleurenfilter).

Maar dat is zijdelings, geen echte vergelijking. Het museum had bijvoorbeeld kunnen aantonen hoe flatteus narcisme van selfies leidt tot inwisselbaarheid, vergeleken met deze veel uitgesprokener kunst. Quiltend en glasblazend ontstijgen deze exposanten de anonimiteit door hun zelfbeeld te verbreden. Vooral vrouwelijke kunstenaars kiezen pregnante standpunten: Lydia Schouten met zweep in aangelijnd korset, Klaar van der Lippe in allerlei modestijlen, Marieken Verheyen als covergirl – een beeldcultuur van uiterlijkheden hekelend.

Ook zijn er andere vergelijkingen te trekken. De selfie als teken van emancipatie bijvoorbeeld, zoals honderd jaar geleden de schilder zelf een plek opeiste op het doek. En als die amateur van vandaag de dag zich op een voetstuk plaatst door selfies online te publiceren, schept hij meteen een podium met publiek, ware hij een door media omringde filmster.

Dus, stof tot vergelijken genoeg. Maar het museum doet het niet voor je, je moet het zelf doen – net als het maken van een selfie. Tenminste, als je dat nog durft na deze tentoonstelling.