VVD sjoemelt met verdrag vluchtelingen

Terugkeer moet niet het belangrijkste oogmerk zijn bij de bescherming van vluchtelingen, schrijven Nanda Oudejans en Tamar de Waal.

illustratie pavel constantin

De VVD presenteerde een nieuw plan over hoe Nederland moet omgaan met (erkende) vluchtelingen. In Grenzen aan de opvang stelt de regeringspartij een drastische ‘versobering’ voor van de sociale voorzieningen waarop vluchtelingen aanspraak mogen maken. Zo hebben vluchtelingen geen recht meer op zorg- en huurtoeslag, geen toegang tot de reguliere bijstand en krijgen zij in plaats van voorrang op huurhuizen in de sociale sector ‘semipermanente’ huisvesting zoals zeecontainers aangeboden. Inmiddels heeft coalitiepartner PvdA verklaard zich te kunnen vinden in deze nieuwe aanpak voor vluchtelingen in Nederland.

Als nieuwe politieke plannen worden afgekondigd, is het altijd verstandig het oorspronkelijke doel van een beleidsterrein in herinnering te roepen. In dit geval is dat: bescherming bieden aan vluchtelingen, op basis van het Vluchtelingenverdrag uit 1951. Vanuit dit perspectief is de meest relevante vraag of het binnen het juridische kader dat dit internationale beschermingsregime biedt eigenlijk wel mag, erkende vluchtelingen basisrechten ontnemen.

Dus laten we eens kijken waartoe het vluchtelingenverdrag precies dient. Het is verleidelijk om te denken dat het als doel heeft veiligheid en fysieke bescherming te bieden tegen vervolging, oorlog en terreur. Dit is echter, in de kern, niet zo. Het doel van het verdrag is fundamenteler. Het adresseert namelijk het verlies aan juridische bescherming dat vluchtelingen overvalt zodra zij zich buiten hun eigen staat bevinden, na een vlucht voor politieke vervolging of oorlog. Een vluchteling gaat immers niet alleen een geografische grens over, hij overschrijdt ook de grenzen van het recht en komt daarmee buiten het recht te staan.

Kortom, vluchtelingen zijn niet onze zorg omdat zij vervolgd worden of slachtoffer zijn van oorlog – een lot dat zij delen met de achterblijvers – maar omdat geen enkele staat hen meer beschermt. Het Vluchtelingenverdrag uit 1951 is daarmee niet gericht op het garanderen van basale veiligheid, maar legt de verplichting op onbeschermde personen weer bescherming onder het recht te bieden.

Als we Grenzen aan de opvang er weer bij pakken, is het eerste dat opvalt dat de VVD in terminologie heen en weer springt tussen ‘oorlogsvluchtelingen’ en ‘economische vluchtelingen’. Oorlogsvluchtelingen zouden veranderen in economische vluchtelingen als zij, bijvoorbeeld, vanuit Turkije (waar de dood niet dreigt) naar landen doorreizen waar de welvaart welig tiert. Dit mag worden ontmoedigd, is dan de denkstap, want deze mensen waren al veilig.

Met het oog op het vluchtelingenverdrag is de foutieve suggestie die hiervan uitgaat dat vluchtelingen buiten directe, fysieke veiligheid helemaal niets mogen verwachten van het land waar zij asiel krijgen. Maar, nogmaals, het vluchtelingenverdrag biedt helemaal geen ‘opvang’ of ‘veiligheid’. De status ‘vluchteling’ beoogt een persoon weer juridische bescherming te geven, die hij is verloren door zijn land te verlaten. En uit deze vluchtelingenstatus (die overigens is bevestigd in een EU Richtlijn uit 2001 over de bescherming van vluchtelingen) vloeien rechten voort die vluchtelingen in staat stellen weer te leven als volwaardig persoon. Rechten die, bovendien, dezelfde behandeling vereisen tussen vluchtelingen en onderdanen als het gaat om onderwijs, bijstand en sociale zekerheid. Het vluchtelingenverdrag staat niet toe om daarop een onderscheid te maken tussen vluchtelingen en burgers. Een beschermd leven betekent, vanuit dit perspectief, dus veel meer dan geen geweer in je gezicht.

Dit houdt in dat een land dat vluchtelingen erkent al vooruitloopt op de mogelijkheid dat zij zullen blijven. En wie zich beschermd weet, werkt, naar school gaat, gezond is – oftewel: wie weer vrij is om zichzelf te zijn – zal zijn land van asiel weldra als zijn eigen land beschouwen.

Door te spelen met een terminologie van ‘oorlogsvluchtelingen’, ‘economische vluchtelingen’, ‘opvang’ en ‘veiligheid’ rommelt de VVD – en in haar kielzog de PvdA – aan het juridisch kader waarbinnen de bescherming van vluchtelingen gelegitimeerd dient te worden. Dit is misleidend en maskeert dat de sobere opvang zoals voorgesteld niet strookt met de uitgangspunten van het vluchtelingenverdrag. Daarbij opent dit gesjoemel de mogelijkheid om met droge ogen te beweren dat de meest wenselijke uitkomst voor Nederland is dat erkende vluchtelingen zo snel mogelijk worden teruggeplaatst in een ‘veilige regio’ in de buurt van het thuisland. De VVD durft zelfs te beweren dat de vluchtelingstatus tijdelijk is ‘namelijk totdat zij in veilige havens in de regio terecht kunnen.’ Niets is minder waar. De vluchtelingstatus is tijdelijk omdat vluchtelingen uiteindelijk wortelen in hun asielland en daardoor volwaardige leden van onze democratie worden. Natuurlijk zou het fantastisch zijn als de ontvluchte landen in korte tijd weer veilig zouden zijn en mensen kunnen terugkeren. Maar dit is zelden het geval, en ook voor de huidige Syrische en Eritrese vluchtelingen is het een zeer onwaarschijnlijk scenario. Terugkeer moet niet het belangrijkste oogmerk zijn bij de bescherming van vluchtelingen. Want daarmee dwingen we mensen hun integratie af te remmen en hun levens in de wacht te zetten, terwijl ze hoogstwaarschijnlijk over een paar jaar Nederlander zijn.