Tijdreis naar een Franse tienerkamer uit 1975

Dominique Gonzalez-Foerster houdt van boeken. Het is dan ook veelzeggend dat het vroegste werk op haar grote overzicht in het Centre Pompidou in Parijs bestaat uit een bescheiden boekenkast. Alleen draaide Gonzalez-Foerster de constructie om: bij deze kast bestaan de dragers aan de twee zijkanten uit grote stapels boeken (opvallend genoeg vooral in het Duits) en staan de planken vol met bakstenen. Het lijkt een flauwe geste, maar voor Gonzalez-Foerster is het een statement: trek er één boek uit, of twee, en de hele constructie dondert in elkaar. Net zoals in haar oeuvre.

Dominique Gonzalez-Foerster (verder: DGF) is in Nederland geen heel grote naam, al wordt ze meestal gerekend tot de ‘Hans-Ulrich Obrist-generatie’: kunstenaars, allemaal rond de vijftig nu, die vanaf het einde van de jaren negentig, onder de vleugels van curator Obrist de kunstwereld bestormden. Hun werk is intellectualistisch, gelaagd en vooral: het gaat altijd over de complexe manier waarop schijnbaar willekeurige gebeurtenissen, ideeën en vormen invloed op elkaar hebben. Voor de generatie Obrist is de wereld een groot complex, jungiaans netwerk – trek ergens aan A en bij Q, een eind verderop, begint het te trillen. Maar hoe laat je dat zien? Juist die oeuvre-achtige complexiteit maakt de afzonderlijke werken van deze kunstenaars vaak moeilijk te doorgronden. Ze missen dan lading, achtergrond.

Precies om die reden zijn overzichtstentoonstellingen van deze generatie extra interessant. Dat geldt ook voor DGF, die haar Pompidou-tentoonstelling opbouwt als een tocht langs verschillende kamers die elk een ‘tijdperk’ vertegenwoordigen – de onmogelijkheid om de tijd te beheersen en verwijzingen naar de relativiteitstheorie zijn bij DGF nooit ver weg. De ‘oudste’ kamer speelt in 1887 en gaat over het Splendide Hotel in Aden, Jemen, waarover ze al eerder een klein boek publiceerde. Vervolgens gaan we onder andere naar 1975 (een reconstructie van DGF’s tienerkamer) en naar een geweldige zaal die vol hangt met allerlei kledingstukken uit DGF’s eigen leven – en die mooi laat zien hoe de verandering van mode en persoonlijkheid door de tijd heen elkaar beïnvloeden. We reizennaar 2058 (een verlaten, woestijnachtig panorama zoals je soms ziet in natuurhistorische musea), om te eindigen bij het Cosmodrome (2001): een donkere ruimte waarin een zee aan lampjes een sterrenspektakel opvoert.

Door kleine veranderingen, vervreemdingen, correcties zet DGF betekenissen voortdurend op de helling en trekt ze de toeschouwer haar logica in, haar wereld. Soms zit haar werk zo stikvol verwijzingen naar de Franse cultuur dat je als niet-Fransman af en toe stevig moet doorbijten. Maar stap je daar overheen, dan is haar tentoonstelling een mooie ontdekkingsreis, net als een tocht door iemands boekenkast of een avond staren naar de sterrenhemel: verrassend en ontregelend – met af en toe een mooi nieuw vergezicht.

    • Hans den Hartog Jager