Column

‘Mijzelf teveel’

Op 25 augustus publiceerde ik op deze plek het gedicht In memoriam patris van Willem (roepnaam Wim) Hijmans, een onbekende dichter. Ik had het gevonden in een oude, vergeten bloemlezing uit 1958. Het was een ontroerend gedicht over een zoon aan het sterfbed van zijn vader.

Ik beschreef hoe Hijmans (1926-1980) in 1944 medeoprichter van het literaire blad Podium was geweest en hoe hij daarna steeds verder afwaalde van zijn literaire aspiraties. Toch gaf hij nog kort voor zijn dood aan familie en vrienden een in eigen beheer gemaakte dichtbundel, getiteld Mijzelf teveel. De bundel bevat 23 titelloze gedichten, kort en navrant, want Hijmans had een moeilijk leven achter de rug.

Hij was getrouwd geweest met twee door een verblijf in Duitse concentratiekampen getraumatiseerde vrouwen, en hij raakte ook zelf in psychische nood. Hij voelde zich schuldig omdat hij maar in beperkte mate aan het verzet had deelgenomen. Dat vertelde zijn zoon Lion (60) mij. Lion had weinig contact met zijn vader, maar kreeg nog wel diens bundel. Hij nodigde hem uit voor zijn bruiloft, maar tien dagen daarvoor pleegde zijn vader thuis zelfmoord.

Hijmans verwerkte in Mijzelf teveel zijn ervaringen in een algemeen ziekenhuis waar hij aan een ernstige leverkwaal – gevolg van alcoholisme – werd behandeld, en in de kliniek van de omstreden psychiater Jan Bastiaans. Ik kies drie gedichten uit.

Zij liep alleen en zingend door het park

haar rode ochtendjas slordig gesloten,

op blote voeten door het natte gras

van deze vroege herfst – en geen die wist

waarom zij door de ruit der waakzaal was gesprongen.

Een zuster had het glas zorgvuldig weggeveegd,

twee broeders fietsten zoekende de paden.

Zij plukte paddestoelen bij de bomen

en steeds nog zingend, maar al haast verstild.

Zij is vermoeid toen toch maar meegegaan,

Vragend waarom zij nog moest blijven leven.

Men had al hardboard voor het raam gedaan.

In de kliniek bestaan

is nauwelijks nog leven.

Ik zag zo even

mijn spiegelbeeld misvormd

in je ogen aan.

Ook voor jou zal ik falen

maar mochten wij morgen halen –

laat mij niet gaan.

Er zullen weinigen dit huis verlaten

zonder te weten dat hun eenzaamheid

hun met het verder glijden van de jaren

zal overwoekeren tot de eeuwigheid.

Berustend of opstandig tot de dood

zullen zij wellicht schreien, wrokken, haten –

maar dan, terugziend op wat was, gelaten

zeggen: ik was te veel voor mij, mijzelf te groot.