Inspraakavond

Burgemeester Ahmed Aboutaleb van Rotterdam liet vorige week in de wijk Beverwaard een tent opzetten voor een paar honderd boze buurtbewoners, mensen die vinden dat er nooit naar ze geluisterd wordt. Officieel was het een informatie- of inspraakavond over de komst van een asielzoekerscentrum, maar na afloop moest ook de burgemeester constateren dat het een schreeuwavond was geworden. In het AD liet hij zaterdag optekenen: „Ik zou het fijn vinden als mensen die mij hebben uitgescholden, mij een mailtje sturen of even langskomen en zeggen: ‘Burgemeester, sorry ik was boos en had het niet moeten doen’.”

De burgemeester had vooral veel gehoord, geitenneuker bijvoorbeeld, maar of hij ook geluisterd heeft, moet nog blijken. Als die bijeenkomst in die tent in Beverwaard één ding duidelijk maakte, was het wel dat mensen die vinden dat er nooit naar ze geluisterd wordt vaak het hardste schreeuwen, anderen niet laten uitspreken en het meteen ‘ondemocratisch’ vinden als ze hun zin niet krijgen.

Zelf woonde ik ook in een buurt – Betondorp in Amsterdam – waar er relatief veel wonen die Nederland ‘een ondemocratisch kutland’ vinden. Gisteren kreeg ik in de buurtwinkel van een klant ongevraagd een referaat over Oekraïne en de Oekraïners, een volgens hem onderontwikkeld volk dat zich bezighield met vrouwenhandel, zwart geld en diefstal.

Hier kwam boontje om zijn loontje, want ik had hem regelmatig om een mening gevraagd toen ik nog niet zo lang in deze buurt woonde en het me een goed idee leek om van binnenuit te berichten over wat er zoal leefde in een authentieke Amsterdamse volkswijk. Met goed fatsoen kon je hem dan niet meer vragen om zijn bek te houden over de vluchtelingen over wie hij van alles mocht zeggen, omdat het toch niet racistisch was daar hij het met een Surinaamse vrouw deed, en over wie hij, nu de kwestie van Oekraïne was afgehandeld, eigenlijk ook wel een referendum lustte.

„Naar mij wordt niet geluisterd.”

Nee, natuurlijk wordt er naar jou niet geluisterd, dacht ik. Je zuipt je hele uitkering op, je leent van iedereen geld en je zit hele dagen voor je uit te praten op een kruk bij het kattenvoer in de buurtwinkel. Bovendien: er kwamen helemaal geen vluchtelingen naar Betondorp.

„Mij vragen ze niets”, zei hij. En terwijl ik afrekende, dacht ik dat we dat misschien ook maar zo moesten houden. Ik zou er in ieder geval geen tent voor neerzetten.