Bartóks Concert bruist als cola

Het was het enige appartement op Manhattan dat nog niet geboekt was. Het had nog geen recensies op Airbnb en gezien de perfecte locatie (vlak bij Central Park) en de goede prijs vreesde mijn zusje dat het te mooi was om waar te zijn, dat we voor een dichte deur zouden komen te staan terwijl de dollars al van haar rekening waren afgeschreven. 

Toen we aanbelden bij de woontoren op West 57th Street werden we binnengelaten door een vriendelijk Frans meisje. Met haar studio op de elfde verdieping was niets mis. Maar al hadden de ratten over het aanrechtje gelopen, dan nog had ik er graag gelogeerd. Een aan de gevel bevestigde buste bij de entree van de toren leerde me dat dit de plek was waar een van mijn helden had gewoond. Béla Bartók made his home in this house during the last year of his life. Bartók. De heel erg grote Béla Bartók. Ik voelde me als een kind dat net was ontwaakt op zijn vijfde verjaardag.

Bartók (1881-1945) was een Hongaar, een volksmuziekvorser en een van de belangrijkste componisten van de twintigste eeuw. Een week eerder was ik nog in Boston Symphony Hall, waar ik me voorstelde hoe Bartóks ‘Concert voor orkest’ daar tijdens de première in 1944 had geklonken. Nu was ik ineens op de plek (oké, hij woonde een paar verdiepingen lager, op de derde) waar hij aan zijn laatste stukken moet hebben geschaafd. 

Dat Bartók in New York belandde, had niets te maken met The American Dream. Hij was een banneling. Toen Europa door de nazi’s werd bedreigd, zochten talloze kunstenaars en componisten de vrijheid op van de VS. Maar terwijl wereldster Igor Stravinsky als een held werd onthaald, werd Bartók niet op straat herkend. Toen hij in de zomer na de Duitse capitulatie aan de gevolgen van leukemie overleed, werd zijn begrafenis maar door een handvol mensen bezocht. In de necrologie die The New York Times publiceerde, werd zijn ‘Concert voor orkest’ niet genoemd. Nu is het zijn meest geliefde stuk. Het zit vol volksmuziek uit Hongarije, uit Roemenië, er zijn zelfs Noord-Afrikaanse ritmes in te horen. Je kunt er de invloed van Debussy in herkennen, net als (in het derde deel) het expressionisme van Schönberg. Amerikaanse invloed is er ook: die zit in de fanfares.

Het bijzonderste is dat iedere instrumentgroep een solistische rol heeft – vandaar de titel. Bartók laat in 35 minuten horen waartoe een orkest in staat is. Het ‘Concert voor orkest’ bruist als cola die wil ontsnappen uit een wild geschudde fles.

Op de derde verdieping werd niet opengedaan. Deerde niet. In Bartóks muzikale droomwereld kun je eindeloos dwalen, beter dan in zo’n flatje.