Armlastig Venetië denkt aan kunstverkoop

Venetië’s burgemeester ziet kunst als financieel redmiddel

Judith II (Salome) vanGustav Klimt: een van de Venetiaanse schilderijen die mogelijk verkocht worden.

Een Klimt en een Chagall. Om precies te zijn: Judith II (Salome) van Gustav Klimt uit 1909 en De biddende Jood (de rabbijn van Vitebsk) van Marc Chagall uit 1914. Die wil burgemeester Luigi Brugnaro van Venetië verkopen om de begroting van de stad aan te vullen.

„Bij gebrek aan andere financiële middelen, kunnen we de stad beter behouden door een paar kunstwerken op te geven die niet verbonden zijn met de geschiedenis van de stad”, zei de burgemeester onlangs tegen de Italiaanse krant Il Sole 24 Ore. Wat hij bedoelde: Klimt komt uit Oostenrijk en Chagall uit Rusland. En wat hij ook bedoelde: door het almaar stijgende water, de langzaam zinkende panden en wat het kost om de kanalen schoon te houden, is zijn stad erg duur in onderhoud.

Zo duur, dat Venetië steeds meer moeite heeft dat allemaal te betalen. Eerder werden al enkele palazzo’s verkocht, zoals in 2012 het Fontego dei Tedeschi uit de 16de eeuw, aan de familie Benetton. Dat wordt een winkelcentrum. De verkoop leidde tot veel verzet.

De werken van Klimt en Chagall zijn kopstukken in het Ca’Pesaro, een museum aan het Canal Grande. Samen met nog andere te verkopen werken zou Venetië op een opbrengst van 400 miljoen euro rekenen. Alleen al Judith II (Salome) zou goed zijn voor een verkoopprijs van 70 miljoen euro. Volgens de burgemeester, die wordt aangehaald in de Engelse The Telegraph is er nog geen uitputtende lijst van mogelijk te verkopen kunstwerken. Er zal zorgvuldig worden bekeken welke wel en welke niet in aanmerking kunnen komen. Niet in aanmerking komen dan bijvoorbeeld werken van Bellini en Canaletto, die wél zijn verbonden met de geschiedenis van Venetië.

Venetië gaat nu gebukt onder een schuldenlast die jaarlijks in de tientallen miljoenen zou lopen. De burgemeester zegt te vrezen dat de stad binnenkort de kinderopvang niet meer kan betalen. Het heeft geen zin, volgens hem, „te doen alsof Italië geen schulden heeft. Brugnaro: „Als we die schuldenlast kunnen verkleinen, is het economisch herstel des te sterker en kunnen we het gewicht ervan wegnemen van de schouders van onze kinderen.” Venetië, zegt hij ook, wil een voorbeeld zijn voor andere Italiaanse steden in problemen. „Venetië is bereid iets in de praktijk te brengen dat andere steden kunnen opvolgen. Als Venetië het kan, kan Italië het ook.” Luigi Brugnaro, een zakenman, had de verkoop van kunstwerken al aangestipt in zijn verkiezingscampagne.

Kunst uit eigen collectie verkopen roept doorgaans verzet op. Dat is nu in Venetië het geval, zoals dat eerder ook in Nederland was.

Toen de gemeente Hilversum in 1987 zijn Compositie met twee lijnen van Mondriaan wilde verkopen, gaf dat bijvoorbeeld een enorme rel. Bedoeling was toen de opbrengst te gebruiken voor de restauratie van een theater.

In 1989 leidde het plan van Rudi Fuchs, toen directeur van het Haags Gemeentemuseum, om met de opbrengst van twee Picasso’s en een Monet een aankoopfonds in het leven te roepen, eveneens tot commotie. Dat gebeurde opnieuw in 1999, met de voorgenomen verkoop door Museum Boijmans van Beuningen van het schilderij Gray, Orange on Maroon van Rothko, ten behoeve van nieuwbouw.