Achter de Nooduitgang

Weinig Rotterdammers weten dat er een atoomkelder onder het voormalige hoofdpostkantoor zit. Het ontsnappingsluik werd verborgen onder een kunstwerk, dat nu gaat verdwijnen.

Foto: Christian van der Kooy

Denk niet dat Jan van Munster (76) een vergeten kunstenaar is. Hij exposeert in Zwitserland, in Duitsland, in Utrecht en binnenkort in Baltimore (VS). En hij zal zelf de eerste zijn om te zeggen dat een kunstwerk een tijd en een plaats heeft. Als het niet meer functioneert, als de omgeving is veranderd of de verwondering verdwenen, dan moet je het weghalen. Zo simpel is dat.

Maar Rotterdam, de stad waar hij achttien jaar heeft gewoond, en waar hij misschien wel zijn beste werken heeft gemaakt, die stad maakt het wel erg bont. Die laat kunstwerken verdwíjnen. Zijn dobbers in de vijver van het Vroesenpark: vormen van vier tot zes meter waren het, van roze polyester. Na een paar jaar dreven ze er niet meer. Hij vragen waar ze waren gebleven. Nou gewoon, weggehaald. En nu zijn ze onvindbaar. Of neem het beeld Triangel. Negen bij negen was dat, de gemeente Rotterdam kocht het aan in 1972. Ook nooit meer gezien.

Dus dan is het wel vreemd dat het kunstwerk dat híj gesloopt wilde hebben, er nog steeds is. De Nooduitgang, noemde hij het zelf in 1975: een kunstwerk aan de Coolsingel van twee blokken beton, met lichtstrepen. Het staat er nog altijd, tussen het stadhuis en het voormalige hoofdpostkantoor.

Maar binnenkort gaat het verdwijnen, eindelijk. En dus gaan we er vandaag nog één keer kijken. Of om precies te zijn: de ondergrondse atoomkelder bezoeken waarvan het beeld de uitgang markeert.

Want dat was de opdracht aan Jan van Munster in 1975: bedek het ontsnappingsluik en de ontluchtingsbuizen van een nieuw te bouwen bunker, waar de belangrijkste PTT-mensen de internationale communicatie konden verzorgen, mochten de Russen komen. Het was eigenlijk, zegt hij, „het oplossen van een probleem in vorm, dat door de esthetische dienst een kunstwerk werd genoemd”. Maar toch: hij schaamde zich er niet voor, het was een mooi, lichtvoetig kunstwerk, dat helder afstak bij de twee monumentale gebouwen waar het tussenin stond.

Alleen ging het kunstwerk wel snel achteruit. Er werd fikkie in gestookt, de lichtstrepen werden vernield. En gerepareerd werd het niet. Nee, je kon niet zeggen dat de stad het kunstwerk onderhield.

Maar het werd pas echt erg toen twintig jaar later de opvattingen over de inrichting van de stad veranderden. Langs de Coolsingel, weet hij nog goed, had je indertijd een kunstmatige glooiing van enkele tientallen meters lang. „Er waren zelfs bloemperkjes. En tussen de tramrails lieten ze gras groeien”.

Die heuveltjes moesten toen allemaal weg, voor een meer grootstedelijke uitstraling. Alleen, diezelfde glooiing bedekte de fundering van zijn kunstwerk, die bloot kwam te liggen. Dus werd die afgedekt met straatstenen. „Toen heb ik ze gebeld en gezegd: ik wil hier niks meer mee te maken hebben, dit is mijn kunstwerk niet langer.”

Nu, weer twintig jaar later, zijn de opvattingen over de inrichting van de stad opnieuw veranderd. Van grootstedelijk moet de binnenstad, in de woorden van een gemeentelijke brochure, „een vitale kwaliteitsplek voor ontmoeting, verblijf en vermaak” worden, met „een ziel die menselijk en zacht is” en „een sfeer die gastvrij, warm, persoonlijk en gezellig is”.

De contacten met de sloper zijn er al

Concreet betekent dit dat de Coolsingel een fietspad, extra bomen en weer bloemperken krijgt én dat Jan van Munsters Nooduitgang nog dit jaar wordt afgebroken. De contacten met een sloper lopen, zegt een woordvoerder van de gemeente, „en we hopen dat het object is verwijderd vóór de opening van het Timmerhuis”. Het Timmerhuis is het nieuwe stadskantoor van Rem Koolhaas, met horeca, woningen en kantoren. Vanaf de Coolsingel kun je dat door het kunstwerk niet goed zien.

Vandaag staan we in het souterrain van het voormalige hoofdpostkantoor: Jan van Munster, een kleine, levendige man, die in een plastic tas een paar boeken heeft meegebracht over alle kunst die hij de afgelopen vijftig jaar gemaakt heeft, en Gert van der Ende, namens Delta Development projectmanager van Post, zoals de projectontwikkelaar het acht jaar geleden aangekochte pand noemt. Bedoeling was toen er een monumentale shopping mall van te maken, vergelijkbaar met Magna Plaza in Amsterdam. Maar ja, de crisis. Sinds de aankoop staat het bijna honderd jaar oude rijksmonument leeg. Straks, met de nieuwe plannen voor de binnenstad, wordt het een hotel.

Maar zover is het nog niet. Vandaag hebben we zaklampen bij ons, want in de atoomkelder doet niet alle verlichting het meer. De bunker, zegt Gert van der Ende, was bij de aankoop van het pand een verrassing. „We kwamen er op het laatste moment achter dat die erbij hoorde. Dus hebben we hem voor een symbolisch bedrag kunnen verwerven. Er was ook heel weinig over bekend. Wanneer was-ie gebouwd? Eerst dachten we: in de jaren vijftig. Maar in een van de zalen stond nog meubilair en dat kwam uit de jaren zeventig. We weten ook niet hoelang ze de kelder in functie hebben gelaten. Tot 1989? Langer? Raar hoe snel die kennis verdwijnt.”

Ook Jan van Munster weet niet precies meer hoe het er van binnen uitzag. Hij is hier veertig jaar geleden voor het laatst geweest. Wat hij zich herinnert: „Er was een sportzaaltje, dat vond ik nog vreemd, dat je een beetje gaat tafeltennissen als buiten iedereen dood is. En er was een douche, voor de ontsmetting. Maar waar was die ook alweer?”

Een moderne, open keuken

We gaan de bunker binnen door een metalen deur met een wiel, als bij een kluis, dan door een smalle gang langs verschillende, allemaal genummerde zaaltjes, lage plafonds, linoleum op de vloer, op één na allemaal leeggehaald. Alleen in 20, dagverblijf staan nog krukken aan de bar van wat veertig jaar geleden een moderne, open keuken moet zijn geweest, met een hoge koelkast en een elektrische vierpitskookplaat. Op de bar een draaischijftelefoon, 4146003 was het nummer van de negentien PTT’ers voor wie in de atoomkelder plek was gemaakt. Aan de muren trekhendels met een bordje rookklep toevoer open/dicht. En overal ventilatiebuizen.

Nu is het een beetje oriënteren, zegt Gert van der Ende: „Is het kunstwerk nou hierboven of verderop?” We vinden het achterin 15, automatenzaal: een loodrechte, metalen ladder langs een muur die leidt naar het ontsnappingsluik. De onderkant is groen geverfd en dichtgelast.

Is er zo weinig bekend omdat de atoomkelder geheim was? Ria Martin denkt van wel. Haar naam was te vinden op een niet meer actieve site van oud-postmedewerkers, telefoonzaal-rt.nl. „Van de atoomkelder weet ik weinig of niets af”, reageert ze op een Facebookbericht. „Toen hij gebouwd werd was het nogal geheim en bezocht heb ik hem pas toen ik in 2011 een reünie van telefonistes organiseerde. Oude foto’s zijn er bij mijn weten niet of nauwelijks en in ieder geval niet in mijn bezit.”

Zeker is dat ook het Rotterdamse Stadsarchief ze niet heeft. „Zoals ik al vreesde levert onze zoektocht naar beeldmateriaal van de atoomkelder niets op”, mailt een medewerker. De bouwtekening op deze pagina, uit 1978, komt na een lange zoektocht bij de gemeente vandaan, „het zijn de enige tekeningen die ik boven water heb kunnen halen”, aldus de woordvoerder. Jan van Munster zegt: „Nou, het was niet geheim hoor, ik kon gewoon zeggen dat ik voor de gemeente werkte.”

Geheim of niet, de meeste stadsbewoners weten niet dat de atoomkelder bestaat. Laat staan dat ze er ooit in zijn geweest. Wat gaat er nu mee gebeuren?

Gert van der Ende sluit niet uit dat de nieuwe hoteleigenaar er een attractie van gaat maken. „Het is toch een stukje jonge geschiedenis. Zo kort na dato en nu al weten we bijna niet meer hoe het zit.” Jan van Munster vindt het vooral goed dat zijn kunstwerk nu verdwijnt. „Dat had twintig jaar geleden al moeten gebeuren.”