Oekraïne-referendum dwingt kabinet tot scherpe EU-keuze

Al maanden geleden werd er op het ministerie van Buitenlandse Zaken in Den Haag rekening mee gehouden dat het referendum één van de onderwerpen was dat het per 1 januari beginnend halfjaarlijks Nederlands voorzitterschap van de Europese Unie zou kunnen gaan beheersen. Voor de goede orde: het betrof hier het mogelijke Britse referendum over het lidmaatschap van de EU dat premier Cameron heeft beloofd.

Maar nu is er opeens dat andere, eigen Nederlandse referendum waarmee premier Rutte te maken krijgt gedurende de periode dat Nederland voorzitter van de Unie is. Oftewel het raadplegend referendum over het associatieverdrag tussen Oekraïne en de Europese Unie dat met 427.939 geldige handtekeningen is afgedwongen.

Volgens de termijnbepalingen van de op 1 juli van kracht geworden referendumwet zal de stemming ergens begin volgend jaar moeten worden gehouden.

Terwijl Nederland dus even voor zes maanden als roulerend voorzitter één van de gezichten van de Unie is, zal in eigen land het debat over diezelfde EU volop woeden. Want dat het referendum niet alleen gaat over het associatieverdrag met Oekraïne, maar vooral ook de Europese Unie ter discussie stelt, hebben de initiatiefnemers van begin af aan duidelijk gemaakt.

De cruciale vraag is wat er straks met de uitslag gaat gebeuren. Het gaat om een raadgevend referendum – wat betekent dat de regering de uitslag naast zich neer kan leggen, mocht het resultaat een nee tegen de wet zijn. Tweede Kamerleden van CDA en D66 willen op voorhand weten wat de houding van de regering zal zijn en hebben hierover vragen gesteld aan premier Rutte.

Dit antwoord zal niet nu al worden gegeven. Rutte stelt zich terecht op het standpunt dat hij eerst het verloop van het referendum wil afwachten. Zo maakt het nogal wat uit wat de opkomst zal zijn en hoe de verhouding tussen de nee- en de ja-stemmen is. Ook niet onbelangrijk is de inhoudelijke kant van de campagne. Welke argumenten voeren de boventoon? Pas daarna kan het kabinet gemotiveerd zeggen wat het met de uitslag gaat doen.

Dit betekent niet dat het kabinet nu voorlopig stil kan gaan zitten. Integendeel. Te hopen valt dat geleerd is van de rampzalig verlopen ja-campagne voor het referendum over de Europese grondwet in 2005. Toen heeft het kabinet Balkenende aanvankelijk de zaak volledig onderschat en vervolgens een puur defensief verhaal gehouden dat alleen maar meer munitie aan het nee-kamp gaf. Het kabinet kan niet vroeg genoeg beginnen met uitdragen dat Europa niet ‘best’ , maar heel belangrijk is.