Het evangelie van rijkdom

Schrijfster Pia de Jong is met haar gezin verhuisd van Amsterdam naar Princeton, in de VS. Ze schrijft wekelijks over wat haar daar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

Carnegie Hall, het Carnegie-instituut, het Carnegie-heldenfonds, het Vredespaleis in Den Haag, Carnegie Mellon University, de Carnegie-bibliotheken, en zo kan ik nog wel even doorgaan. Andrew Carnegie liet overal zijn sporen na. Ook hier in Princeton, waar hij Lake Carnegie liet graven om de roeiwedstrijd tegen Harvard te kunnen winnen.

Amerikaanser dan de Schot Andrew Carnegie kun je niet zijn. In 1848 ontvluchtten zijn ouders de armoede in Schotland, om erachter te komen dat de ellende in Amerika net zo groot was. De dertienjarige Andrew begon als hulpje in een spinnerij. Vijftig jaar later was hij met zijn bedrijf Carnegie Steel de rijkste man ter wereld. De verpersoonlijking van de Amerikaanse droom. En de inspiratie voor Dagobert Duck – of, zoals hij hier heet, Scrooge McDuck.

Maar rijkdom zou niet zijn claim to fame worden. Dat werden zijn revolutionaire ideeën over filantropie. Rijken lieten destijds hun geld vooral na aan hun kinderen en kleinkinderen.

Carnegie daarentegen vond dat persoonlijke rijkdom ten goede moest komen aan de gewone man en de publieke zaak. Zijn motto was: een man die rijk sterft, sterft eerloos. In 1889 zette hij zijn ideeën op papier in een tekst die bekend staat als Het evangelie van rijkdom.

Vandaag wordt het evangelie van de staalmagnaat gepredikt door de hogepriesters van de vrijgevigheid. Ik ben in de monumentale New York Public Library voor de uitreiking van de Carnegie-medailles voor filantropie, zeg maar het wereldkampioenschap weggeven.

Bij binnenkomst worden we verwelkomd door mannen in kilts die doedelzak spelen. De zaal is gevuld met weldoeners en hun begunstigden. Van cultureel, wetenschappelijk en medisch Amerika zou weinig overblijven zonder deze superrijken, die vorig jaar met z’n allen 358 miljard dollar weggaven.

Om beurten krijgen acht vrijgevige mannen de medaille omgehangen. Tijdens hun toespraken citeren de apostelen rijkelijk uit het evangelie: niemand wordt rijk, tenzij die anderen verrijkt. Leven is simpel, geven is een privilege. De waarde van je leven wordt bepaald door hoeveel je anderen hebt geholpen.

Zoals Carnegie al zei: rijk worden is gemakkelijk, het geld uitgeven niet. De geldkraan moet voortdurend openstaan, wil je niet eerloos sterven. De laureaten roemen de vele doelen die hun na aan het hart liggen: het uitroeien van polio, kankeronderzoek, de kunsten. Ik krijg de indruk dat deze mannen in competitie met elkaar zijn. Wie geeft het meeste weg en zo snel mogelijk. Want zoals een van de laureaten zegt: geld nalaten telt niet. Als je niet dood ging, zou je het nooit weggeven.

Later die middag spreek ik met een andere Schot, de Princeton-hoogleraar economie en kersverse Nobelprijswinnaar Angus Deaton. Hij is bijzonder kritisch over de groeiende ongelijkheid in de wereld en het circus van weldoeners. Liever zag hij dat de superrijken hielpen goed overheidsbeleid te ontwikkelen in plaats van hun eigen stokpaardjes te berijden.

We praten over hoe zijn leven sinds vorige week overhoop is gehaald door het telefoontje uit Stockholm. Ook in zijn geboortedorpje in Schotland is het feest. Of hij nog herinneringen heeft aan zijn jeugd? O ja, als jongetje ging hij met de bus naar school, elke dag een uur. Als hij de bus miste, moest hij lang wachten. Gelukkig was naast het busstation een bibliotheek. Een van de 2.500 Carnegie-bibliotheken.