Wim zat in het verzet, zijn pa was fout. Dat is drama

Familieverhalen waarin het hele perspectief op de oorlog, van goed via grijs naar fout, te vinden is binnen één gezin, zijn er niet of nauwelijks.

Er is nu een boek dat wel zo’n volledig relaas geeft, hoewel het over een allesbehalve huis-tuin-en-keukengezin gaat. Het geheim van de Valeriusstraat van Luuc Kooijmans vertelt over een Amsterdamse familie in de oorlog, waarin – geheel in tegenstelling met de gemiddelde houding in het land – bijna niemand in de grondverf staat, maar vrijwel iedereen kleur bekent. Vader is er overtuigd zwart, moeder kleurt vanzelf een beetje mee, net als de oudste zus en een broertje dat verplicht in een donkere korte broek loopt tijdens bijeenkomsten. Drie zonen daarentegen zijn gewoon goed of meer dan dat. En een zus (‘Zus’ genoemd) is tegen vader en Hitler. Daar moet wel drama van komen.

Als jongen zag de auteur bij de grootouders een foto van een jongeman aan de muur. Het was, vertelden ze hem, ‘oom Wim’. Er stond een kruisje bij, en er werd nooit over gesproken. Totdat de auteur, inmiddels gelauwerd historicus van standaardboeken over de zeventiende-eeuwse wetenschappelijke vaderlandse elite, het aandurfde het verhaal op te rakelen en uit te zoeken. De nog levende familieleden werkten mee – hoewel erover praten moeilijk ging – en stelden dagboeken, fotoalbums en correspondentie ter beschikking.

Alles draaide om één gebeurtenis. Zoon Wim spioneerde voor het verzet, en omdat hij zijn foute vader, die van niets wist, niet wilde kwetsen met de voorkennis van zijn schanddaden tegen de Führer, dook hij niet onder toen er onraad dreigde; hij werd opgepakt, zat ruim een jaar vast en kwam, twintig jaar jong, voor het vuurpeloton.

De omgang met deze verschrikkelijke waarheid is de crux van het verhaal. Met vader voorop acteert het gezin alsof het niet weet dat Wim ieder moment de doodstraf kan krijgen. Vader schrijft zalvende brieven en is gelukkig als Wim de indruk wekt ‘bekeerd’ te zijn tot Mussert. Die bevoogdende brieven zijn huiveringwekkend. Een celgenoot van Wim schrijft of diens vader alsjeblieft wil ophouden over ‘de van God gezonden Führer van alle Germanen’ te schrijven, want – ‘Wim is na zo’n brief kapot, huilt en al die grappen meer.’ Het helpt niet.

Vanzelfsprekend is het boek niet afgelopen met ’40-’45. Een tweede – kleiner – drama volgt als vader en zwager als landverradersvolk geïnterneerd worden. Maar er echt van leren doet vader niet. Wanneer zoon Wim in 1950 postuum een lintje krijgt, ‘meent vader het wel in ontvangst te kunnen menen’. Zijn kinderen moeten hem uitleggen dat dat ongepast is.

En zo moddert de oorlog maar door in het gezin. Goed en fout conserveerde er de oorlog, men herdacht op gepaste momenten de gevallene en zweeg. Van loutering, van verwerking leert het onthutsende boek van Kooijmans, was niet zoveel te merken. Het leek verdomme Nederland wel.