Wat zou Jezus hebben gedaan?

(33) is geen evangelist, maar ze is wel een volgeling van Jezus, en daarom ging ze naar Lesbos om vluchtelingen uit het water te halen. ‘Ik ben niet aan God gaan twijfelen, maar ik was op Lesbos wel heel kwaad op de wereldleiders.’

Foto Mieke Meesen

Anja Koevoet (33) is van een type mens dat je in tijden van Facebook maar weinig meer meemaakt. Zie haar zitten in haar kleine huisje aan de oever van de Waal. Zo niet zichzelf verkopend, zo zonder enig uiterlijk vertoon, zo ingetogen – dat is het woord. Maar ze stond dus wel op de rotsen van Lesbos om vluchtelingen aan land te helpen, twee weken lang. Baby’s aanpakken, droge kleren uitdelen, troosten en geruststellen, op en neer naar de dichtstbijzijnde bushalte rijden. Vrijwillig en op eigen kosten.

Ze is geboren in Zaltbommel en daar woont ze nog steeds. Haar vader was boekhouder, haar moeder deed het huishouden en voedde de kinderen op. Anja is de vierde van vijf. Ze groeide op met ‘here zegen deze spijze amen’ voor het eten en ‘ik ga slapen, ik ben moe’ als ze naar bed ging. Twee keer per dag Bijbellezen en ’s ochtends met de bus naar de basisschool voor gereformeerd vrijgemaakte kinderen in Almkerk. Daarna: gymnasium, hbo logopedie.

Toen ze bijna klaar was, ging ze samen met een vriendin drie maanden naar Brazilië om straatkinderen te helpen. Ze zochten ze op in de sloppen, de lijmsnuivertjes, de straatrovertjes, de drugskoeriertjes. Hoe gaat het met je? Waarom ben je hier? Heb je nog ouders? Wil je met ons mee? Ze deden het voor een christelijke zendingsorganisatie, Jeugd met een Opdracht. Die opdracht is: God kennen en bekend maken. „Daarna”, zegt ze, „wist ik zeker dat ik dat werk voor langere tijd wilde doen. Ik bloeide helemaal op.”

Logopedie vond ze „best leuk”, maar de stages liepen slecht. „Het lag aan mijn karakter. Ik was nogal gesloten en daardoor liep ik vast. Het maakte me onzeker.”

Ze haalde wel haar diploma en werkte negen maanden als receptioniste bij een ICT-bedrijf om haar studieschuld af te lossen. Daarna ging ze naar de bijbelschool van Jeugd met een Opdracht om te worden opgeleid tot zendeling. Moldavië. Kosovo. Niet om te bekeren, dat ligt haar niet zo. „Ik ben geen evangelist die van de daken schreeuwt: ken je Jezus al? Een vriendin van me kan dat wel, als die in de trein zit, heeft ze meteen aanspraak. Haar is het op het lijf geschreven om mensen over God te vertellen.” Zelf is ze meer iemand die wil helpen. Ze is begaan met mensen en hun lot.

Na Kosovo ging ze naar nog een bijbelschool, in Heerde op de Veluwe, om de Bijbel „echt te leren kennen” en te lezen „wat er echt staat”.

Welke teksten spraken haar het meest aan? Daar moet ze even over nadenken. „Dat zijn er zoveel”, zegt ze. „Maar de tekst die nu in me opkomt is die van Psalm 126 vers 5. Wie met tranen zaaien, zullen maaien met gejuich. Er zit een belofte in. Het kan hard bikkelen zijn – ik heb toen ik voor de tweede keer naar Brazilië ging veel heimwee gehad en veel tranen vergoten – maar ik houd me vast aan het idee dat er een dag komt waarop ik zie wat het heeft opgeleverd.”

Heimwee naar de Hema, waar je naar binnen kunt lopen en zeker weet dat je dat schrijfblok kunt kopen dat je nodig hebt. Heimwee naar haar nichtje en neefje, naar de rest van de familie, naar Zaltbommel. Die tweede keer ging ze voor drie jaar.

Tijdens haar verlof kreeg ze een hersenvliesontsteking. Ze lag in het ziekenhuis in Den Bosch en de verpleegkundigen vroegen of ze er bezwaar tegen had dat er een man bij haar op de kamer kwam liggen die uit een afkickcentrum voor verslaafden kwam. „Natuurlijk had ik daar geen bezwaar tegen. In Brazilië werkte ik ook met verslaafden. Die man vertelde me zijn levensverhaal en halverwege dacht ik: wat ik in Brazilië doe, kan ik in Nederland ook doen.” Ze was 29 en ging naar een opleiding maatschappelijke zorg. Ze liep stage bij het Leger des Heils en kreeg drie keer een jaarcontract, totdat het wettelijk niet meer kon. Sinds augustus zoekt ze nieuw werk.

Vriend of man heeft ze niet, tot haar verdriet. „Wel gehad”, zegt ze. „Maar hij heeft de relatie verbroken.”

Dat was in mei, niet lang voordat ze naar Lesbos vertrok, voor de Stichting Bootvluchteling. Deed ze het om haar verdriet te verwerken?

„Dat heb ik me ook afgevraagd en het maakte de beslissing om te gaan moeilijker. Was het geen vlucht? Wilde ik met andermans ellende mijn eigen ellende te vergeten? Maar gevoel dat ik iets moest doen was sterker. Ik was op een conferentie in Biddinghuizen en daar sprak een Oegandese predikant die me in mijn hart raakte. Het ging over recht en rechtvaardigheid en dat het Jezus’ volgelingen past om te doen wat hij zou doen.

„Als Jezus niet 2000 jaar geleden op aarde was gekomen, maar nu, waar zou hij dan gaan staan? Op Lesbos om mensen de hand te reiken. Nog tijdens de preek heb ik een Facebookbericht gestuurd: wanneer kan ik weg?”

Een week of wat later stond ze daar, op haar Teva-sandalen, elke ochtend weer, tot zonsondergang. Met verrekijkers de Egeïsche Zee af turen, het water in zodra er een boot in zicht kwam. Come this way! Come here! En dan met de kleinste kinderen in haar armen naar het droge waden.

Ze dacht dat ze veel had meegemaakt, maar dit was anders. Het greep haar meer aan dan ze had gedacht. „Je ziet mensen in de ogen die in doodsnood zijn geweest, mensen die niets meer hebben en helemaal alleen zijn, hun gezinnen hebben ze vaak achtergelaten. En tegelijkertijd: de enorme massa. Dat maakte het zwaar. De individuele ontmoeting met ellende en verdriet kende ik wel, maar dit ging maar door, driehonderd mensen, vijfhonderd mensen, dag na dag na dag. Ik schaamde me voor Europa. Waarom moest het zo, waarom stond het Rode Kruis er niet, waarom waren daar alleen maar vrijwilligers?”

Ze is even stil en zegt dan: „De zondag dat ik weer terug was, moest ik in de kerk een stuk uit Jesaja voorlezen, Jesaja 40, over de grootheid van God. De volken zijn voor Hem als een druppel in een emmer, als een stofje in de weegschaal, als een sprinkhaan in een zwerm. Dat was het beeld dat ik nog op mijn netvlies had. Die groepen mensen die daar over de rotsen naar de bushalte liepen, en dan? Ik schoot vol, ik kon niet verder lezen.”

Bedoelt ze dat ze werd overvallen door een gevoel van hopeloosheid? Ze knikt. „Het schrijnende was dat de mensen die we hielpen zoveel hoop hadden. Op een avond was ik even in de auto gaan zitten, want ik had niets meer te geven, ik wist niet wat ik moest doen. Ik huilde en toen kwam er een jongen langs. Don’t cry, de toekomst zal beter zijn, we moeten hier even doorheen. Maar ik weet welke weg ze nog voor zich hebben.”

Begon ze aan God te twijfelen?

„Nee. Ik was op Lesbos wel heel kwaad op de wereldleiders, op Assad, op de Turkse kustwacht, op de rechtsradicalen, ook op Lesbos, die zeggen: stuur ze terug, die vluchtelingen, laat ze verzuipen. Ik moest denken aan de wraakpsalmen, waarin om de wraak van God over de vijanden wordt gebeden. Ik heb dat altijd rare stukjes Bijbel gevonden, zo haatdragend. Nu deden ze me goed.”

Ze citeert Psalm 94: „God van vergelding, verhef U. Rechter van de aarde, verschijn in luister. [...] Zij vertrappen uw volk, Heer, onderdrukken Uw liefste bezit, weduwen en vreemdelingen doden ze, kinderen zonder vader brengen ze om. […] De Heer is mijn burcht. Hij geeft de schuldigen het loon dat zij verdienen.”

Wat wil ze daarmee zeggen? „Dat de mensen die over lijken gaan het nog wel zullen merken. God vergeet hun daden niet.”

Dan lacht ze en zegt: „Nou ja, misschien klinkt dat een beetje al te moslimachtig radicaal.”

En de dag waarop ze zou zien wat het zaaien met tranen heeft opgeleverd, is die al gekomen?

Ze zegt: „Het is niet: turf, turf, turf, zoveel mensen heb ik gered. De vrucht van mijn daden kan ook dat ene kind zijn dat van mij hoort dat het wél waardevol is. En dat zich dan waardevol voelt, al is het maar voor even.”