Column

Tompoes eten

Het eten van een tompoes in gezelschap vind ik nog altijd zó lastig dat ik het vermijd. Liever een saai, maar hanteerbaar gebakje dan een worsteling met de weerspannige tompoes die je toch verliest. Een tompoes kun je beter in je eentje eten, of met een goede bekende, zodat je je helemaal kunt overgeven aan je vraatzucht zonder meteen alle respect te verspelen.

Ik ben niet de eerste columnist die deze belangrijke kwestie aansnijdt. Op 4 september 1967 wijdde Nico Scheepmaker er in de Volkskrant een memorabele column aan. Hij vond dat je de tompoes niet met mes en vork moest eten – dat noemde hij onsportief, potsierlijk en pompeus – maar uit de hand.

„U brengt de tompouce [oude spelling] nu voorzichtig naar uw mond (hoofd boven het bord houden!) en bijt zachtjes op de boven- en onderlaag, zonder er nochtans een stuk af te eten. Door de druk van uw tanden stulpt de gele pudding aan alle kanten naar buiten, maar niet zo hevig dat zij omlaag op uw bord valt. Met de lippen eet u nu de pudding aan de zijkanten weg, waarna u daadwerkelijk een eerste hap van het bladerdeeg kunt nemen.”

Helaas, ik heb deze scheepmakeriaanse aanpak diverse malen geprobeerd, maar nooit met veel succes. Meestal stulpte de pudding alle kanten op, het liefst in de richting van mijn wenkbrauwen. Het kwam ook voor dat ik met bevuilde kleren mijn nederlaag moest erkennen.

Mijn hart begon dan ook sneller te kloppen, toen ik hoorde dat Janneke Vreugdenhil een korte beschouwing aan de tompoes had gewijd in het onlangs uitgekomen boek Nederland – een objectief zelfportret in 51 voorwerpen. Daarin schrijven 51 auteurs over onderwerpen die van Nederlandse origine zijn of een typisch Nederlands stempel dragen.

Zij schrijft: „De meest decente manier (…) om een tompoes soldaat te maken, is volgens mij om hem op zijn kant te leggen, zodat het vorkje een voor een de bladerdeegbarrières kan passeren zonder dat de room ertussenuit giechelt.’’

Zou dit de tompoes van Columbus zijn? Ik liet mijn vrouw, een gretige tompoeseter, de teksten van Nico en Janneke lezen. Merkwaardig eigenlijk - ik had haar nooit goed gadeslagen als zij haar tompoes at, misschien wel omdat ik volledig in beslag werd genomen door mijn eigen geknoei.

„Hoe doe jij het precies?’” vroeg ik.

„Anders dan zij”, zei ze.

Ze haalde twee tompoezen bij de bakker, deponeerde ze op tafel en gaf er een vorkje bij. Toen zette ze volgens de methode-Vreugdenhil de aanval in. De tompoes werd op zijn kant gelegd en ze pulkte met haar vorkje de pudding tussen de opstaande twee bladerdeeglagen uit. Dat ging soepel, maar toch was ze niet tevreden. „Ik moet nu de onderkant apart eten, en daar zit te weinig smaak aan.”

Toen gaf ze mij de instructies voor háár methode. Ze haalde de roze deksel – die met de lekkere glazuurlaag – eraf, legde ’m opzij en at met het vorkje de pudding samen met de smakeloze onderlaag op. Tussendoor en erna at ze van de roze deksel. Ze voltooide de klus met schone handen en zonder pudding op de neus; de performance was eerder sierlijk dan potsierlijk.

Nico Scheepmaker schreef destijds: „Niemand heeft ooit een tompouce gegeten zonder daarna de behoefte te voelen zijn handen te wassen.” Hij is allang dood en kan zich niet meer verdedigen, maar toch moet ik hier vaststellen dat hij onnodig vuile handen heeft gemaakt.