Pas op als dieren mensen worden

In Jacht, de nieuwe beschavingsroman van Elvis Peeters is niets menselijks de dieren vreemd. Helaas.

Illustratie Karina Akopyan

Een sukkel gaat uit schieten. Tot zover is er niets bijzonders aan de hand in Jacht, de nieuwe roman van de Vlaming Elvis Peeters. Eenmaal in het bos legt onze vrijetijdsjager een moederhert om en even later sterft de bijbehorende bambi. Dit tot woede van de hertenbok die de inmiddels hulpeloze (waar zijn de kogels?) jager terugdrijft naar diens auto, en deze haast aan barrels beukt tot Erik (zo heet de ongelukkige) in zijn gebutste wagen alsnog de veilige haven van zijn woonwijk bereikt.

Curieus is de agressie van het dier wel, net als de angst van de man. Ook vreemd is het zelfvoorzienende paard dat in het openingshoofdstuk langsloopt: dit dier trekt een kar met spullen zonder menselijke berijder, scharrelt bij wijze van beloning zelf zijn haver bijeen en lijkt goed te kunnen communiceren met een vos. Er is iets vreemds met deze samenleving.

Elvis Peeters schrijft al tien jaar romans over onze beschaving. En zoals meestal bij schrijvers die over beschaving schrijven, gaat het vooral om een tekort aan beschaving. In De ontelbaren (door collega-schrijver Tommy Wieringa inmiddels op tv aangeprezen als de ultieme Nederlandse vluchtelingenroman) dreigde België te bezwijken onder een enorme toevloed aan vluchtelingen. In Wij portretteerde Peeters een groep jongeren die zich verlustigen in anarchistisch-gewelddadige experimenten en in Dinsdag stond een koloniale verkrachter centraal. Wat Peeters, die zijn boeken schrijft ‘in samenwerking met Nicole van Bael’, altijd vermijdt is expliciet moralisme. Veel minder terughoudend is hij in het beschrijven van de beestachtigheden die mensen begaan, wat nogal eens afleidde van wat Peeters te zeggen heeft. Al is ‘zeggen’ misschien niet het goede woord: Peeters is het soort geruisloze verteller dat dingen aanwijst.

Honden handhaven de orde

In Jacht heeft dat tot gevolg dat je stap voor stap ontdekt hoe vreemd de wereld in deze roman wel niet in elkaar steekt. Want inderdaad: het paard en de vos kunnen communiceren, de jas van de rottweiler is een mensenjas waarmee het dier op zijn achterpoten door de straten patrouilleert. Terwijl tientallen, misschien honderden vossen de stad planmatig ondergraven met hun tunnels, handhaven de honden de orde.

De beesten hebben daarbij dezelfde mensenwensen en mensenstreken. Soms zijn ze hard en wreed, vaak opportunistisch en tussendoor zoeken ze naar warmte en mededierlijkheid.

Mooi laat Peeters het schemergebied zien waarin we eerst menselijkheden op dieren projecteren (zo ‘verhangt’ de hertenbok zich bij het lijk van zijn vrouwtje), terwijl tenslotte de menselijkheid van de dieren helemaal echt blijkt te zijn. Daarbij loopt de rottweiler voorop in zijn kekke jas, wat spectaculaire scènes oplevert. De hond, jarenlang gedrild door een moeder die hem zelfs met bestek heeft leren eten, kan inmiddels een beetje praten en heeft zijn oog laten vallen op Karla, de voluptueuze overbuurvrouw van Erik.

Dierlijke begeerte is nog tot daaraan toe, maar de eenzame Karla blijkt wel oren naar de rottweiler te hebben.. Ondanks de wantrouwende blikken van de mensen gaan ze op een terras zitten. Daar legt hij zijn poot in haar hand: ‘Nu ervaart ze ten diepste de overgave van een ruige poot, de kracht die daarvan uitgaat trilt in haar handpalm. Het warme kloppen van leven dat uit de zachte kussentjes onder zijn tenen – of zijn het vingers? – spreekt.’ Bestond er een prijs voor de beste literaire scène van 2015, dan kon die alvast aan Peeters worden uitgereikt.

Er volgen nog een paar onvergetelijke voorvallen tussen Karla en haar hond (ja, ook het) waarin de onzekerheid van het dier uitgesproken vertederend is, net als het bakvisachtige geluk van Karla – inclusief haar praktische mijmeringen over het grote verschil in levensverwachting tussen haar en haar nieuwe geliefde. Het is niet de eerste keer dat Peeters over bestialiteit schrijft (zo werd er in Wij een kat bruut verkracht), maar hij slaagt erin om daadwerkelijk de tederheid van zijn ongebruikelijke liefdespartners invoelbaar te maken.

Dierlijkheden

Jacht is een bijzondere roman – al voordat je je gedachten hebt laten gaan over de vraag wat de schrijver er nu precies mee zou kunnen bedoelen. Nadrukkelijk werpt het boek een nieuw licht op Peeters eerdere beschavingsromans.

Dat de menselijke ratio en beheersing slechts de broze verpakking vormen van een massa begeerten en dierlijkheden, had hij in Wij, De ontelbaren en Dinsdag al duidelijk gemaakt. In die zin waren die boeken te lezen als langgerekte waarschuwingen tegen het dier in onszelf. Die waarschuwingen krijgen met Jacht een nieuwe laag, omdat de onbeschaafdheden van de mens hier zij aan zij staan met de dierlijke verlangens naar beschaving.

Het probleem is niet dat we niet beschaafd wíllen zijn, het probleem is dat de uitvoering zo lastig is.