‘Ons werk is theatraler en fantasievoller’

De interessantste en succesvolste toneelregisseurs van de jongste generatie zijn allen vrouw – en maken voorstellingen waarin sekse en stereotypen een onderwerp zijn.

Davy Pieters Foto’s Bob van der Vlist

‘Ik kan niet ontkennen dat ik én vluchteling ben, én vrouw, én regisseur”, zegt Daria Bukvic (26). Die elementen hebben invloed op haar werk, wil ze maar zeggen. „Of het nu Who run the World was over vrouwelijke archetypes, of Nobody Home over asielzoekers, in mijn voorstellingen toon ik vaak de wereld vanuit de worsteling van de ‘underdog’ of de buitenstaander.”

Generatiegenoot Maren Bjørseth (31) heeft net pas ontdekt dat ze een ‘vrouwelijke regisseur’ is. „Ik dacht er nooit over na, tot mijn voorstelling Een Poppenhuis in Duitsland speelde. Daarin voer ik hoofdpersoon Nora op als een blije barbiepop. Een toeschouwer vond dat ik, als vrouw, een andere vrouw niet zo kon neerzetten.”

Voor Davy Pieters (27) is sekse „geen thema”. Maar in haar voorstellingen speelt het vrouwbeeld in de media wel vaak een rol. „Dat is een industrie waarin flink geld wordt verdiend en die ons wereldbeeld verregaand beïnvloedt. Dat bekritiseer ik.”

En Julie Van den Berghe (34) is er „totaal niet mee bezig”. „Ik voel me vaak een halve man in een vrouwenlichaam.”

Tuinbroek of zilveren badpak

Deze vier jonge vrouwen zijn de interessantste regisseurs van hun generatie. Mannelijke leeftijdsgenoten steken bleekjes bij hen af. Drie van de vier maken bovendien werk waarbij sekseverhoudingen een rol spelen. Maren Bjørseth: „Het zijn vaak buitenstaanders die je op die parallellen wijzen, maar er gaan in mijn werk inderdaad vaak jonge vrouwen dood.”

Bjørseth regisseerde naast eerder genoemde Een Poppenhuis (2012) ook Ödön von Horváths Geloof, Liefde, Hoop (2014), waarin een jonge vrouw wordt vermorzeld in kafkaëske (macho-)bureaucratie. In haar nieuwste voorstelling, Ibsens De Wilde Eend, worden leugens in een gezin een jonge vrouw fataal. „Ik regisseer het liefst bestaand repertoire, en laat me bij mijn keuze voor stukken dan leiden door wat mij ontroert, fascineert of choqueert. Inderdaad keert het lot van jonge vrouwen in mijn werk opvallend vaak terug. En blijkbaar heb ik ook iets met zelfmoord.”

Pieters en Bukvic, die nieuwe, eigen stukken maken, zetten beiden stereotiepe vrouwbeelden op hun kop. Pieters maakte in 2014 de succesvoorstelling The Truth about Kate, een hilarische mediasatire waarin een vrouw zichzelf volledig modelleert naar een superster à la Beyoncé.

Haar nieuwe project, theaterperformance A Soft Play met collectief KOBE, gaat ook over het vrouwbeeld binnen de plezierindustrie. „We citeren in de voorstelling uit videoclips, televisieshows en concerten. Zo onderzoeken we de manier waarop het vrouwelijk lichaam wordt ingezet in een miljardenindustrie.”

Bukvic regisseerde actrice Stephanie Louwrier in Who run the world (2013) als een doorgedraaide vrouw die niet kan kiezen tussen mannenhatende tuinbroekfeminist of hysterisch stofzuigende Miss World, in zilveren badpak.

Succesgeneratie

Het werk van deze regisseurs valt op. Het regent prijzen en uitnodigingen van grote gezelschappen. The Truth about Kate werd geselecteerd voor het Theaterfestival (TF) met de beste voorstellingen van het jaar. Bjørseth debuteerde in 2014 glansrijk bij Toneelgroep Amsterdam met Een bruid in de morgen – ook geselecteerd voor TF. Van den Berghe doorloopt een soortgelijk traject bij TA. Ze wordt in 2017 met Guy Weizman bovendien artistiek leider van het Noord Nederlands Toneel. Bukvic maakte de onbetwiste toneelhit van het afgelopen jaar: Nobody Home, gebaseerd op haar eigen vluchtverhaal en dat van haar acteurs. Jawel: óók geselecteerd voor het Theaterfestival. Per 2017 treedt ze toe tot de vaste makerskern van het Nationale Toneel.

Ze studeerden kort na elkaar af, in 2010, 2011 en 2012, dus je kunt deze vier regisseurs tot één generatie rekenen. Maar verder zijn er net zoveel overeenkomsten als verschillen. Met één constante: ze hebben de leiding over grote toneelproducties en werken in een wereld die nog steeds grotendeels door mannen wordt gedomineerd.

Dat merk je indirect, zegt Bjørseth. „Zo’n groot gezelschap is een mammoettanker, er is een historie, een apparaat, een vertrouwde koers. Het is moeilijk om als jonge vrouw binnen te komen en te zeggen: ik doe het anders. De druk is groot.”

Van den Berghe, die naast TA eerder bij NTGent werkte, herkent die druk. Ze is er wel eens onder gezwicht, zegt ze, met als resultaat een productie waar ze minder achter stond. Maar de oude structuur van grote bolwerken onder mannelijke mastodonten gaat op de schop, denkt ze. Ook Van den Berghe gaat het als leider straks anders doen: „Ik ambieer een open structuur, met vaste makers die vrij zijn uit te vliegen; niemand is elkaars eigendom.”

Vuist op tafel

Allen voelen ze die behoefte aan openheid, uitwisseling en kruisbestuiving – een kenmerk van hun generatie, niet van sekse, denken ze. Bukvic: „Wij zijn afgestudeerd toen duidelijk werd dat de grote bastions na de bezuinigingen nooit meer hetzelfde zouden zijn. Tussen de brokstukken is ruimte voor een nieuw soort creativiteit.”

Inderdaad worden nu op verschillende plekken, door nieuwe artistiek leiders, man én vrouw, andere organisatievormen onderzocht. Maar sommige vooroordelen blijken hardnekkig. Zo kreeg Bukvic van mannelijke collega’s al eens de vraag of ze zich gezien haar functie niet ‘te vrouwelijk’ presenteerde. „Omdat ik van make-up houd en hakken draag! Bizarre veronderstelling. Ik ga me niet anders opstellen omdat ik een leiderschapspositie vervul. En ik denk ook nooit: nu moet ik met m’n vuist op tafel gaan slaan. Ik doe het op mijn manier, door mijn werk zo goed mogelijk te doen en goed te luisteren. Maar uiteindelijk hak ik de knopen door.”

Bjørseth heeft soms het gevoel dat ze de baas moet ‘spelen’: „Je stelt als regisseur wel de regels op, zó gaan we het doen.” Maar meestal verloopt het proces democratisch; iedereen mag input geven. Daar kreeg ze wel een opmerking over: ‘Het lijken de jaren zeventig wel!’ Bjørseth: „Maar is dat dan typisch vrouwelijk? Wat is dan typisch mannelijk? Misschien is dat onderscheid wel passé.”

Van den Berghe haakt daarop in: zouden haar collega’s van tien voorstellingen kunnen zeggen of ze door een man of een vrouw zijn gemaakt? „Absoluut!”, roept Bukvic. „Ik vind ons werk theatraler, fantasievoller. Misschien omdat we intuïtiever en emotioneler te werk gaan. In elk geval is het opvallend dat vrouwen van onze generatie grotere gebaren durven te maken.”

Die gemene deler kan ook zijn ingegeven door culturele achtergrond. Van den Berghe is Vlaams en een kwart Hongaars, Bukvic ontvluchtte in 1992 Joegoslavië en Bjørseth verruilde in 2008 Noorwegen voor Nederland. Bukvic: „In Nederland wordt het grote artistieke gebaar vaak geschuwd, terwijl ons werk is gekruid met surrealisme, sprookjes en fantasie.” Maar het werk van de oer-Hollandse Pieters, erkennen ze, zindert niet minder van verbeeldingskracht.