Knausgårds slotakkoord

Met zijn roman Vrouw sluit de Noorse succesauteur Karl Ove Knausgård zijn indrukwekkende romanreeks af. In de laatste roman van Henning Mankell keert het woord dood sneller, steeds sneller terug.

Dit kun je geen turf meer noemen: Karl Ove Knausgårds Vrouw is een 1200 bladzijden tellende, laatste krachttoer van een kilometerbrede veenafgraving. Het is het slotakkoord van zijn intussen wereldberoemde, zich over krap 4000 pagina’s uitstrekkende romancyclus Mijn strijd. Knausgård ontgint in Vrouw zichzelf als mens, vader, echtvriend en schrijver, en verspit ook nog eens de reusachtige Mijn strijd-cyclus als geheel tot extra brandstof.

Deze in Zweden woonachtige, Noorse schrijver mag in zichzelf opgesloten lijken, het wonderlijke is dat hij een leger medearbeiders het veen in heeft gesleept, een breed, internationaal lezerspubliek dat ook de spade ter hand heeft genomen. Hij láát je werken, maar je doet het graag. Ik ook.

Knausgård bezondigt zich in Vrouw nauwelijks aan beeldspraak. Hij biedt hyperrealisme. Alles wat we lezen is echt gebeurd. Namen, data, gebeurtenissen. Hij noteerde maand in, maand uit, tien pagina’s per dag het weer, waar hij is – al dan niet vergezeld door al dan niet jengelende kinderen (drie), reisjes en dagtochtjes, de interviews die hij moet ondergaan als beroemd geworden schrijver, gesprekken met vrouw of vrienden, tevoorschijn ploppende zinnen of fragmenten voor een volgend romanproject, wederom heel veel over kinderen. Alles. Het zal dus niet verbazen dat Vrouw veel opsommingen bevat. Bij Knausgård betekent dat vermelding van tijdens looproutes waargenomen grote of kleine middenstanders, tijdens autoroutes begane onhandigheden (hoe heeft Karl Ove het rij-examen gehaald?) en landschappen. Hoe driftig hij ook chauffeert, het verteltempo in Vrouw is bijzonder laag.

Tamelijk plat proza

Het proza in Vrouw is tamelijk plat. De schrijver zegt trouwens ook zelf dat het hem niet om stijl gaat, maar om waarheid. Hij schrijft op wat er in hem en zijn wereld gebeurt, meer niet. Daarmee kom je inderdaad niet in een bloementuin terecht.

Het zou kunnen dat Karl Ove Knausgård zich mede heeft laten inspireren door de behoefte aan slow. Bij de omroep in Noorwegen dacht men in 2003: de jachtigheid van het leven tegenwoordig heeft behoefte aan tegengif. Het resultaat was de bijna acht uur durende uitzending van een treinreis vanuit Oslo naar Bergen, gezien vanuit de machinistenruimte: Bergensbanen – minutt før minutt. Een succesformule. Eenzelfde marathonuitzending liet urenlang een brandend houtblok zien, en ook Twaalf uur non-stop breien beroofde gefascineerde Noorse kijkertjes van hun nachtrust. Slow. Ik zou me goed kunnen voorstellen dat de langzame, in ons land immens populaire romancyclus Het bureau van J.J. Voskuil bij eenzelfde behoefte heeft aangesloten. Verwerkingstijd enorm, oppervlakte breed.

Maar Vrouw is geen ontspannend boek. Wat Knausgård naast alledaagse tobberijen en gezeur van een zich immer schuldig voelende auteur óók geeft is een groot aantal, onwaarschijnlijk heldere, maar even onwaarschijnlijk breed geformuleerde gedachten over de boeken die bij het werken aan Mijn strijd op zijn pad kwamen. Ze belichten op erudiete wijze vragen die ook in de huiselijke beslommeringen van de schrijver dagelijks aan de orde zijn: ben ik goed of slecht als ik tijd steel om alles op te kunnen schrijven wat er met de kinderen, tussen mijn vrouw en mij, maar ook tussen mijn vader en mij, wat er allemaal in mijn familie is gebeurd?

De problemen beginnen – een dun uitgevallen spanningsboog in Vrouw – als een oom uit zijn vel springt bij het lezen van het manuscript van het slotdeel. Knausgård heeft het aan zijn voornaamste ‘personages’ gestuurd om toestemming te vragen hun portret in deze context te mogen openbaren. Vrijwel iedereen vindt het confronterend, maar stemt toe; de oom dreigt de publicatie tegen te houden, tot in de rechtszaal. Knausgård breekt het zweet uit. Al het graven voor niets geweest? Heeft hij eigenlijk wel het recht dat alles zo maar op te schrijven? Nog een stapje dieper: is hij wel een goed mens? En wat is een slecht mens eigenlijk?

Verlangen

De laatste vraag staat centraal in Vrouw, en waarschijnlijk in alle Mijn strijd-delen. Mijn strijd, Mein Kampf. Knausgård wijdt in Vrouw 300 bladzijden aan vooral de jonge jaren van mede-autobiograaf Adolf Hitler, als deze worstelt met zijn (schilder)kunstenaarschap en (in de ogen van Knausgård) de slechte verhouding met zijn vader. Dit essay vormt een fascinerend boek in dit boek, dat ook verschillende stukken over andere, uiteenlopende, onderwerpen bevat. Over Dostojevski’s Idioot, Ulysses van James Joyce, een Celan-gedicht, het sublieme, Borges, Anders Breivik…

Over de aandriften van laatstgenoemde voor diens slachtpartij op het eilandje Utøya schrijft Knausgård: ‘Verlangde hij naar de werkelijkheid, naar een eind aan de relativering, naar de consequenties van het absolute? Waarschijnlijk wel. Voel ik een dergelijk verlangen? Ja, dat doe ik. Het fundamentele gevoel dat ik heb, is dat de wereld bezig is te verdwijnen, dat ons leven gevuld wordt met beelden van de wereld en dat die beelden zich tussen ons en de wereld dringen zodat die steeds luchtiger wordt en steeds minder verplichtend.’ Veelzeggende woorden.

Ik had het over een ‘dun uitgevallen spanningsboog’. Dat soort dingen zeg je over romans, maar een roman kun je Vrouw bijna niet noemen. Hier vindt graven en spitten in de werkelijkheid plaats, met bijna absolutistische hardnekkigheid. Wel erg horizontaal vaak, soms tot op huiveringwekkende diepte. Voor de lezer is dat zwoegen, maar met vrucht: Knausgård geeft stookmateriaal voor je allesbrander, in overmaat en -vloed.