Herfstvakantie! Hoe krijg je de kinderen naar buiten?

Ook Christiaan Weijts krijgt zijn kinderen vaak maar met moeite naar buiten. Toch heeft hij vier tips met bewezen succes.

Tekeningen KBS Laurentius in Breda, Bewerking Fotodienst NRC

Het probleem is niet dat ze niet buiten willen spelen, het is dat ze niet naar buiten willen gáán. Anders dan wij, voor wie het geluk toch meestal daar is waar we niet zijn, hebben kinderen de infantiele gewoonte om domweg op te gaan in om het even wat.

Gistermiddag was dat: rondjes rennen door het hele huis en proberen daarbij zoveel mogelijk decibellen aan gekrijs te produceren. Dan weet je dat ze eigenlijk rijp voor de speeltuin zijn. ‘Willen jullie niet even buitenspelen?’ ‘Nee, we zijn net pakkertje aan het doen.’ ‘Dat kan buiten ook. Wat zeg ik? Dat kan buiten zelfs oneindig veel beter!’ Geen reactie. Stiekem vind ik het wel best, want het motregent en de bank zit best aangenaam. Gelaten wacht ik af tot de eerste zich huilend meldt na de onvermijdelijke botsing, en intussen volg ik wat diepgaande twitterdiscussies, tik ik haastig wat antwoordmailtjes en pieker ik over een romanprobleem.

Als ik ze een uur later eindelijk buiten heb vallen me drie dingen op: 1) het volume van zojuist is ineens niet hinderlijk meer, 2) ik heb geen wifi meer, 3) ik krijg ze, als het tijd is om te gaan koken, niet meer naar binnen, zelfs niet met de drievoudige chantage van ‘wat Netflix’, ‘limo’ en ‘een lekker bakje’.

Je hoort deskundigen dikwijls beweren dat tv, tablets en al die andere schermen onze kinderen omtoveren in dikke, afgrijselijk egoïstische gedrochten, in kleine Kim Jong-untjes, maar het zijn vooral de ouders die het allemaal wel gemakkelijk vinden, zo’n scherm dat die stuiterende pakketjes aandachttrekkerij tijdelijk uitschakelt. De ouders die geen zin hebben in het gedoe en het gedeal (‘Nee, het is écht geen weer voor je Hello Kittyjurk’, ‘Oké, goed, dan maar je bodywarmer, maar wel een vest eronder’).

Jonge kinderen gaan op in wat ze aangeboden krijgen. Mijn zoon wilde als baby en peuter al nooit ophouden met wat hij deed, of het nu binnen of buiten was. Elke verplaatsing ging gepaard met een jankpartij waar wij ouders de wetenschappelijke term ‘transitiehuilen’ aan gaven. Het transitiehuilen van iets oudere kinderen (alles wat ik hier zeg geldt tot zes jaar) heeft de vorm van balsturigheid, dreinen, wild en gek doen. Daar moet je even doorheen. Het is de activeringsenergie die je gebruikt om ze in de buitenspeelmodus te schakelen.

Tip 1:

Neem binnen mee naar buiten. Auto’s, speelgoed, barbie’s en lego: laat ze al die rotzooi maar in hun rugzakjes proppen.

Tip 2:

Speel drie minuten mee – aanzwengelen, activeringsenergie – en daarna gaat het vanzelf en heb jij rust aan je hoofd.

Tip 3:

Spreek met vriendjes af, of maak die ter plekke. Vrijwel alle nieuwe vrienden en kennissen die wij zelf de afgelopen zes jaar hebben opgedaan kennen we uit speeltuinen.

Dat krijg je als je geen wifi meer hebt. Ook wijzelf zijn transitiehuilenbalken. Meegaan met buitenspelende kinderen is losgerukt worden uit je prettige cocon, je werk en je wifi. Maar uiteindelijk levert dat juist wat op. Ineens is er niets anders te doen dan op een bankje naar spelende kinderen kijken.

Tip 4:

Besef dat het weer altijd slechter lijkt vanachter een raam of vanuit een auto. Zoals het ergerlijke gekrijs en gestamp van binnenshuis buiten ineens verandert in vrolijk en rustgevend vogeltjesgekwetter.

En verdraaid, terwijl ik mijn dochter aanduw op de schommel, valt me ineens de oplossing voor mijn romanprobleem in. Bij Google en Apple hebben ze daar ingewikkelde hightechruimtes met aquaria en pingpongtafels voor nodig.