Column

De stille plantage

We zitten in het Surinaamse restaurant op de Zeedijk waar we tijdens onze eerste ontmoeting hadden gegeten, mijn vader en ik. Toen was er een man op ons afgestapt, net als ik een halfbloed. Hij was zonder zijn vader opgegroeid, vertelde hij, had hem pas twee weken eerder ontmoet. Op zijn iPhone liet hij een filmpje zien van dat moment, zonder te weten dat wij precies in dat moment zaten. Mijn vader moest huilen, daarna ik, toen de man. Snotterend stonden we op en midden in het restaurant gaven we elkaar brother hugs.

Waar te beginnen? Bij de Here maar weer. Want mijn vader ziet het heel duidelijk: die heeft hier bedoelingen mee. „Je reis naar Suriname zal mensen helen”, zegt hij. Ik zeg: „Ja, ja, goed, goed.” Dat ik gewoon zin heb in een avontuurtje, dat we het niet te groot moeten maken.

Dan bedankt hij me voor mijn avontuurlijkheid. Ik doe de dingen die hij wilde doen, maar nooit durfde. Vroeger zat hij ’s avonds bij de ouderen, stelde hun vragen over het verleden. Nu weet hij waarom dat was. Hij ziet zichzelf in mij, zegt hij. En soms, terwijl hij bezig is aan een van zijn monologen, zie ik mezelf in hem, voel ik mezelf in hem. Zo zeer dat het moeilijk is om uit te maken waar hij begint en ik ophoud.

Goed, to the point, zeg ik. „Heb ik een reden om de Surinaamse jungle in te trekken?”

Mijn vader knikt: mijn overgrootmoeder was een Arrowak Indiaan, de oorspronkelijke bewoners van Suriname. „Bij haar komen jouw blauwe ogen vandaan.” Ze leven nog steeds in de jungle. We hebben geen familie meer in Suriname, al zijn broers en zussen – twaalf! – zijn na de onafhankelijkheid naar Nederland gekomen, mijn opa en oma zijn gestorven. Maar diep in het oerwoud ligt nog een plantage. Die is van ons. Één of anderhalve vierkante kilometer groot. Verlaten. „Waarom?” vraag ik. Daar wordt het cryptisch.

„Omdat je voorouders daar bepaalde dingen deden.”

„Wat voor dingen?”

„Slechte dingen. Ze aanbaden natuurgeesten.” Zachtjes: „Omdat ze niet beter wisten. Niemand had ze verteld dat er maar één God bestaat.”

„Maar als je kijkt naar de geschiedenis, dan waren de kwaadaardigste mensen niet de mensen die bomen aanbaden”, lach ik. „En als alles God is, is een boom dat toch ook?”

„Nee”, zegt mijn vader. „God schiep de mens naar Zijn gelijkenis, de mens staat boven alles, ook boven bomen.”

„Misschien is dat juist het probleem”, zeg ik.

Dat zie ik toch verkeerd. Bovendien: ze aanbaden geen vriendelijke geesten, ze aanbaden geesten uit de wereld van de Duivel. Ze gebruikten die geesten om anderen kwaad te berokkenen. Omdat ze niet wisten dat het kwaad dat ze anderen aandeden uiteindelijk bij hen terug zou keren. Als dat niet tijdens hun leven gebeurde, dan in het leven van hun kinderen of kleinkinderen of achterachterkleinkinderen.

Onze voorouders deden aan voodoo, of zoals dat in Suriname heet: winti. Mijn betovergrootvader was een wintipriester die zichzelf met krachten van de Duivel kon veranderen in een tijger. Mijn vader was voorbestemd om al die duivelse krachten te erven. En als zijn oudste zoon was ik voorbestemd om die krachten weer te erven van hem.

Als kind nam hij speciale baden en moest hij speciale ringen dragen. „Maar maak je geen zorgen”, zegt hij. „Doordat ik me tot de Heer bekeerd heb, zullen de geesten jou met rust laten.”

Wat natuurlijk precies het moment is waarop ik me zorgen begin te maken.