Al die onwil en onhandigheid die komt kijken bij iets nieuws

Je zou kunnen zeggen dat Joke van Leeuwen telkens het houvast van haar personages van tafel veegt om te laten zien hoe mensen met het nieuwe, dat waar ze geen ervaring mee hebben, omgaan. Voor haar nieuwste roman, het krachtige De onervarenen, valt ze terug op een treurig hoofdstuk uit de geschiedenis, toen rond 1850 Belgische en Nederlandse boeren werden aangemoedigd om hun heil te zoeken in Zuid- of Noord-Amerika.

Van Leeuwens verbeelding van deze immigratie is een proeftuin van hoop, angst, opluchting; kortom van alles wat met een sprong in het duister gepaard gaat. Het sterkste punt van de roman is dat hij niet zwart-wit wordt. Aanvankelijk worden de mannen wel heel naar neergezet en de vrouwen sympathiek, maar langzamerhand, naarmate er meer personages opgevoerd worden, wordt het morele spectrum diffuser en dus interessanter. De verontrustende lading van De onervarenen gaat niet schuil in iets dat parallel loopt met iets actueels, maar in de onwil en onhandigheid van mensen die uit hun vertrouwde context zijn gehaald om zich aan te passen aan hun nieuwe omgeving, aan een nieuwe manier van leven. We vonden het wiel uit, maar vraag ons niet om het nog eens te doen. Van Leeuwen is in de roman heerlijk op dreef, en met zichtbaar genoegen blijft ze maar elementen aan deze catastrofe in het oerwoud toevoegen, opgediend in de lichtsardonische toon die ze haar verteller Odile heeft toebedeeld. In afwachting van haar man, die zichzelf op zeker moment tot leider van het immigrantengezelschap heeft uitgeroepen, lezen we bijvoorbeeld: ‘Zoals we ’s avonds bij het vuur op Koben wachtten om ons toe te spreken leken we wel zwervers en misschien waren we dat ook, zwervers die deden of ze ergens hoorden.’