We helpen de grutto pas echt als we minder melk gaan drinken

Op eenderde van het boek De grutto van bioloog Albert Beintema (1944) staat een fikse uitweiding over vervangende dienstplicht. Eerder treffen we passages aan waarin onderzoekers met naam en toenaam, vrienden en bekenden van de bioloog, aan bod komen. Regelmatig roept de schrijver zichzelf tot de orde, met een zin als: „Terug naar de rijstvelden in Guinee-Bissau.”

Dan zijn we weer waar de auteur vele bladzijden terug eindigde. Zo waaiert het boek bijna driehonderd pagina’s heen en weer.

Soms is de grutto, de veel bezongen en veel beschreven „koning van de weidevogels”, bladzijden lang afwezig. Persoonlijke herinneringen aan verre studiereizen, zelfs daar waar geen of nauwelijks grutto’s voorkomen, ontnemen de lezer het zicht op de titelheld. Daar staat tegenover dat Beintema bewonderenswaardig veel weet over de grutto, en over talloze andere biologische zaken. Hij heeft een grote ornithologische ervaring. Zelf erkent hij dat hij lange tijd niet heeft omgekeken naar weidevogels – waartoe de grutto (Limosa limosa) behoort. Beintema’s belangstelling ligt bij oceaanvogels. Andere onderzoekers deden dat wel en hun ondervindingen komen uitvoerig aan bod. Maar dat is niet altijd voldoende: je wilt vooral weten wat de specifieke band is tussen auteur en vogel.

In veel gevallen komen we meer over grutto-onderzoekers tegen dan over de grutto zelf; ik wist niet dat zoveel mensen zich op verschillende terreinen met de grutto bemoeien, en desalniettemin gaat de stand sterk achteruit. Dat geeft aan het boek een wrange, zelfs tragische ondertoon. Onderzoekers ringen de vogels, zenderen ze, voorzien ze zelfs van verfstrepen om ze op hun trektochten te herkennen. Als zo veel kennis voorhanden is, dan zouden we toch ook in staat moeten zijn voor de vogel een gunstiger leefomgeving te creëren? Dat lukt niet, helaas. Inzet en resultaat botsen pijnlijk met elkaar. Ook mis ik de gruttohistorie: wat schreven bijvoorbeeld achttiende- en negentiende eeuwse vogelkenners?

Beintema analyseert terecht dat het steeds vroegere maaibeleid van de boeren een van de hoofdoorzaken is van de achteruitgang. Een zuivelgigant als Campina pleit ervoor koeien in de weide te laten grazen, en zet zich ook in voor het project Red de Rijke Weide om de biodiversiteit van het saaie Nederlandse weiland te vergroten. Maar dat neemt niet weg dat steeds grotere koelwagens door het boerenland rijden. Beintema: „De verloedering van het grasland treft dus niet alleen de broedende weidevogels, maar ook doortrekkende steltlopers.”

In ‘mozaïekbeheer’ ziet Beintema een oplossing, zoals op sommige plaatsen in de zuidwesthoek van Friesland gebeurt: daar waar geen grutto’s broeden kan de boer gerust maaien, maar waar de vogels broeden dienen kruidenrijke akkerranden en ruime stroken gras te groeien. Daar kunnen de jonge grutto’s zich verschuilen voor roofdieren. En, sterker argument: ze zijn er veilig voor vlijmscherpe messen van maaimachines.

Toch is Beintema uiteindelijk niet echt somber: aan het slot van zijn boek stelt hij dat zijn „aanvankelijk gedoofde optimisme” is herleefd. Maar dan moet er aan een voorwaarde worden voldaan, namelijk dat de „idiote landbouwpolitiek” met zijn telkens weer verhoogde melkproductie – met onder meer melkpoeder voor China – eindelijk eens in goede banen wordt geleid.

„Melk moet helemaal niet”, luidt de slotzin van dit boek. Dat laatste is misschien wel het meest opzienbarend. Grutto’s, maaibeleid, melkproductie, rijstvelden in Guinee-Bissau, zelfs het rapen van kievitseieren en nog veel meer, het komt allemaal samen in dit geschakeerde boek over de vogel met zijn „kantelwiekende vlucht”.