Vergankelijkheid

S. Montag

Zit je in de trein tussen Rotterdam en Dordrecht, kijk dan ten zuiden van de Maas een paar kilometer onafgebroken naar links. Er is een goede kans dat je daar in de verte even de Watertoren ziet, dat prachtige bouwwerk, bijna aan de oever van de rivier aan het einde van de Oude Plantage. Een ronde, uiterst robuuste en ook elegante constructie, met een puntdak, bekroond door een torentje.

Als kleine jongen werd ik verliefd op de Watertoren, ik probeerde er thuis ook een te bouwen maar de ontwerpers van mijn blokkendozen hadden daar niet op gerekend. En toen, op 10 mei 1940, brak de nieuwe tijd aan. De Watertoren bleef bij het bombardement op 14 mei gespaard; de Oude Plantage is in de Hongerwinter totaal omgehakt. Wat er met het beeldje van de Vier Gratiën in het centrum van het park is gebeurd, weet ik nog altijd niet.

Hoe kom ik op de Watertoren? Toeval.

We zaten die avond gezellig en lekker te eten, deze twee echtparen die al een poosje geleden hun jeugd achter zich hebben gelaten. Weet je al waar je stukje deze week over gaat, vroeg de man. Geen idee, dat komt vanzelf, zei ik.

Schrijf eens iets over vergankelijkheid, opperde hij. Ja, waarom niet. „Al het heden wordt verleden, schoon ’t ons toegerekend blijft”, zei een van mijn oma’s die aan vrome kant was. Ze had gelijk.

Zolang je leeft en geestelijk en lichamelijk redelijk in orde bent, blijf je actief. De bewijzen van die bezigheden worden als herinneringen opgeslagen in je geheugen. Onbegrijpelijk hoe een gedeeltelijk overzichtelijk maar soms ook onverwacht, spontaan, chaotisch gedrag in dat benen bolletje op je schouders bewaard wordt en in je geheugen onmiddellijk beschikbaar, tenminste zolang je ‘goed bij je hoofd bent’.

Als daden tot herinneringen worden krijgen ze in het bewustzijn een andere functie. Er zijn herinneringen waaraan je nooit meer zou willen denken en die toch vaak op ongelegen momenten opduiken. En andere die je opnieuw als werkelijkheid zou willen beleven. Door die categorie wordt ons de vergankelijkheid ingepeperd.

Het tegendeel van vergankelijkheid is vergetelheid. Als iemand of iets daarin terecht is gekomen heb je er nooit meer last van. Vergankelijkheid kan een van de grootste menselijke kwellingen zijn, maar gelukkig hebben we ook bestrijdingsmiddelen uitgevonden. Schrijven en de kunst in het algemeen. ‘Want op dees aard waar stappen niet beklijven,/ waar daden als verhaaltjes achterblijven,/ leeft onverminderd voort wie wist te schrijven’ dichtte E. du Perron.

Het is wat optimistisch uitgedrukt, maar in de grond van de zaak is het waar. Denk aan de moeite die archeologen zich getroosten om de hiëroglyfen van prehistorische Egyptenaren te ontcijferen. En aan de andere kant de haat waarmee de fundamentalisten van de Talibaan en IS de monumenten van hun verre voorgeslacht verwoesten. Je moet wel ongelofelijk de pest aan je voorouders hebben om het zo ver te laten komen.

Een schilderij kan een ontembare heimwee oproepen naar de geportretteerde, een landschap, een stadsgezicht. En dan kan er in je hersenen iets merkwaardigs gebeuren. Het besef van de vergankelijkheid veroorzaakt een eigenaardige lustbeleving.

Een paar jaar geleden keek ik weer eens naar de Rotterdamse Watertoren, niet langer dan een halve minuut. Even was ik weer een kleine jongen. Alles samengedrongen, van het bombardement tot en met de Hongerwinter. Vergankelijkheid is ook een schatkamer in je geheugen.