Ventielen

Voor mijn deur waren al een tijdje ventielvandalen aan de slag. Soms alleen een ventieltje losdraaien, vaak ook het hele ventiel eruithalen en in de bosjes gooien. Vervelend, maar ja, „zo gaan die dingen”, dacht ik dan. Ik had in mijn hoofd van die vervelende opgeschoten jongens die middels het losdraaien van ventielen indruk wilden maken op al even vervelende opgeschoten meisjes. Typisch zo’n idee waar je niet al te lang over na hebt gedacht, want hallo? Ventielen losdraaien? Niet echt geil.

Op een regenachtige woensdagavond sta ik zomaar wat contemplatief uit het raam te staren, na te denken over verheven dingen zoals klassieke muziek. Komen er ineens twee jongetjes aangelopen. Jaar of elf, twaalf. Langig haar, want ik woon in een kakbuurt en kakouders hebben kinderen met lang haar. Ze gaan alle fietsen af en voelen aan de banden.

Op dat moment komt er iets in mij op wat ik niet zo van mezelf ken, namelijk: de neiging tot ingrijpen. Ik ruk dus een raam open en roep: „Hé, hou daar eens mee op!” Zelden twee kinderen zo zien schrikken.

Vervolgens ontspint zich een gesprek waarin vooral opvalt dat beide partijen zich veelvuldig bedienen van de zinsnede „nee, maar”.

Zij: „Nee, maar mevrouw, we doen niets.”

Ik: „Nee, maar jullie hébben wel al van alles gedaan.” (Goed geformuleerd, ‘van alles’, lekker to the point.)

Zij: „Nee, maar u begrijpt het niet, een vriend van ons doet dat, en wij wilden hem juist gaan vertellen dat hij dat niet meer moet doen.” (Je vraagt je af waarom er dan fietsbanden gecontroleerd moesten worden, maar daar ging ik in the heat of the moment niet op in.)

Ik: „Nou, mocht dat waar zijn, fijn, en bedenk anders: ik weet nu hoe jullie eruitzien.” (Weet ik helemaal niet, het was veel te donker.)

Zij: „Nee, maar wij hebben het echt niet gedaan!”

(Op dit punt begin ik het alweer zielig te vinden en denk ik: waar haal ik eigenlijk de autoriteit vandaan om hier als een soort ‘volwassene’ op te gaan treden? Ik ben tenslotte nog maar negenendertig.)

Ik: „Vertel hem dan maar dat hij hiermee op moet houden.”

Zij: „Ja, mevrouw.”

Ik: „Want ik wil dus dat dit ophoudt.”

Toen voelde het allemaal te futiel, dat hele ventielengedoe, en heb ik het raam dichtgedaan. Een halve seconde later waren de jongetjes nergens meer te zien.

Ik zat ontevreden op de bank en dacht: waarom heb ik ze niet om hun naam gevraagd? Hun ouders? Hun telefoonnummer? Ik had een foto van ze kunnen maken. Ik had ‘van alles’ kunnen doen.