Porselein bracht elders voor het eerst dichtbij

Keramist Edmund de Waal is beroemd als schrijver van zijn familiegeschiedenis, De haas met de amberkleurige ogen. Nu schreef hij een boek over wit porselein. „Wit is de stilte voor de schepping begint.”

Edmund de Waal in het Rijksmuseum: „Delfts blauw is een poging Chinees porselein na te maken.” Foto Olivier Middendorp

‘Een boek over de geschiedenis van porselein, dat lijkt me zo ongeveer het saaiste boek dat ik me kan voorstellen”, zegt Edmund de Waal. „Niemand wil dat lezen.” Dat boek heeft hij dus niet geschreven. De Waal schreef De witte weg. Het verslag van een obsessie. Dat is wel een boek over porselein, 440 bladzijden gaat het echt alleen maar over deze verheven vorm van aardewerk, maar geen reguliere geschiedenis. „Ik ben niet geïnteresseerd in kunstgeschiedenis. Ik ben geïnteresseerd in mensen. Porselein is gevaarlijk spul. Het witte stof is dodelijk, je krijgt er stoflongen van. Wie met porselein werkt, sterft jong. Over die menselijke kosten hebben kunsthistorici het nooit.” En porselein is ook spul waarvoor gedood is, leert het boek. Het was een obsessie voor Chinese keizers en Franse koningen. Ook Himmler was geobsedeerd door porselein. Het porselein van de Allachfabriek werd tijdens de Tweede Wereldoorlg mede gemaakt door gevangenen van concentratiekamp Dachau.

Edmund de Waal (Nottingham, 1964 – zijn naam dankt hij aan een Nederlandse grootvader) is keramist. Zijn installaties van louter wit porselein zijn onder meer te zien in het Victoria & Albert Museum in Londen en het Rijksmuseum in Amsterdam, dat hij twee jaar geleden het grote werk An idea (for the journey) schonk. De Waal kwam als kind graag in het Rijksmuseum, vooral op de Aziatische afdeling.

De Waal is nu nog bekender als schrijver. Zijn eerste boek, De haas met de amberkleurige ogen (2010) werd onverwacht een wereldwijde bestseller. Het boek gaat over de lotgevallen van de verzameling Japanse ivoren beeldjes, netsuke, die zijn Joodse familie van moederskant, de familie Ephrussi, door de negentiende en twintigste eeuw loodst. „Een familiegeschiedenis geschreven met zoveel elegantie en bescheidenheid dat de overweldigende inhoud erdoor tegengesproken wordt; met Proust, Rilke, Japanse kunst, Parijs en Wenen tijdens de Tweede Wereldoorlog is het de meest fascinerende geschiedenisles denkbaar”, schreef The New Yorker.

Zelfvertrouwen

Voor zijn tweede boek koos De Waal zijn onderwerp nog dichterbij: het materiaal waar hij al zijn kunst van maakt. „Over dit boek heb ik maar vijf jaar gedaan, over de haas zeven. Het gaat dus sneller”, zegt De Waal bij een kop koffie in het Ambassade hotel in Amsterdam. „En ik heb meer zelfvertrouwen gekregen. Mijn stem is zekerder geworden.”

De Waal geeft toe dat hij lang niet van al het porselein houdt. „Wat er van gemaakt wordt, is soms schokkend bourgeois. Vreselijk. In het boek schrijf ik over een achtiende-eeuwse kom uit Meissen die ik geërfd heb. Hij is achtkantig, gelobd en geplooid, met een vergulde rand en panelen vol fruit. Die kom zou ik bijna passief-agressief willen noemen. Maar ook die kom is gemaakt van porselein, ook daaronder zit dit ongelooflijk krachtige wit verborgen, en daar gaat het me om. Porselein is een magisch materiaal. Het is doorzichtig, het weegt bijna niets, het is eerder glas dan aardewerk en het heeft een duizend jaar oude geschiedenis vol geheimen en schandalen.”

De Waal opende gisteren in het Rijksmuseum de tentoonstelling Azië > Amsterdam. Luxe in de Gouden Eeuw, waarop vooral veel porselein te zien is. Chinees porselein was zo in trek dat het tot imitatie leidde: het beroemde Delfts blauw is een poging Chinees porselein na te maken. Chinees porselein was zo geliefd dat het niet gebruikt werd: borden stonden niet op tafel maar hingen aan de muur.

Ook dit zeventiende-eeuwse porselein moet je volgens De Waal niet alleen op zijn uiterlijk beoordelen. „Chinees en Japans porselein is heel betekenisvol voor Nederland en de rest van Europa, want het is de eerste keer dat de andere kant van de wereld werkelijkheid werd in je eigen huis. Voor het eerst kwam elders dichtbij. Dus het gaat niet alleen om hoe het eruit ziet, om een schaal versierd met bloemen, vogels of een meisje met een parasol, het gaat over de link die met dit porselein gelegd werd tussen twee delen van de wereld. Amsterdam is de stad waar al het porselein aankwam. Engelsen kochten het hier op veilingen en ook August de sterke, de keurvorst van Saksen stuurde zijn gezanten naar Amsterdam om hier de mooiste stukken uit te zoeken.”

Het witte goud

Het gaat ook niet alleen om schoonheid, daar hamert De Waal op. „Smaak verandert steeds. De Hollandse handelaren zagen allereerst dat porselein waardevol was. Het werd niet voor niets het witte goud genoemd. Het was zo kostbaar. In Jingdezhen begrepen ze dat ook. In deze ongelooflijke stad maakten ze al heel snel dingen voor allerlei verschillende afzetgebieden in allerlei verschillende smaken. Voor de keizers, maar ook voor de Nederlands markt, voor Istanbul, voor de hoven in het Midden-Oosten. De ironie van dit moment is dat zoveel Europese porseleinfabrieken nu zijn gesloten omdat China nu weer heel goedkoop porselein produceert. In Jingdezhen maken ze nieuw porselein maar ook namaak oud porselein, ze maken er alles voor Starbucks, voor Hello Kitty en voor het British Museum. Al het porselein komt nu weer uit China, net als in de zeventiende eeuw.”

De Europese porseleinindustrie ligt volgens De Waal op zijn gat omdat er geen diners meer worden gegeven. „Wie dekt er nog de tafel met twaalf bijpassende borden en kommen op vrijdagavond? Wie krijgt er nog een 144-delig servies vol bloemen als hij gaat trouwen? Gewoonten sterven uit. Er is nu minder porselein nodig. Maar wat is nodig? Mensen zijn nu geïnteresseerd in waar hun voedsel vandaan komt; hoe en waar het wordt geproduceerd. Misschien zal die belangstelling ook gaan gelden voor de dingen waarvan ze eten.”

Wit lijkt de belangrijkste eigenschap van porselein voor De Waal. Hij maakt zelf alleen maar witte potten. In de bibliotheek van de Royal Academy in Londen is nu een tentoonstelling te zien die hij samenstelde van louter witte kunstwerken. Het motto van zijn nieuwe boek is een citaat uit Moby Dick: ‘Wat is al dat witte daar?’

„Wit betekent het begin. Het is de witte bladzijde, het witte doek, het moment dat alles nog mogelijk is. De stilte voordat de schepping begint. Wit is belofte.”

Op de tentoonstelling zijn tussen de oude boeken onder meer witte schilderijen te zien van Cy Twombly en Morandi, een eerste druk van Melvilles Moby Dick, de witte pagina uit Tristam Shandy, de partituur van John Cage voor zijn werk 4’33”, vier minuten stilte. „Het mooie van wit is ook dat het niet wit blijft. Dat kan niet. Malevitsj’ witte vierkant is niet wit, het bevat allerlei kleuren, het is gecraqueleerd. Het is nu meer ‘het idee van wit’, dan wit. Zo is het ook met porselein. Het komt wit uit de oven, maar dan valt er eerst een schaduw op en dan komt er een vingerafdruk op, het wordt vies, er wordt koffie op gemorst. Het verandert voortdurend. Dat is allemaal niet erg, die dingen maken het werk juist levend. Als je iets van porselein maakt, maak je niet iets voor de eeuwigheid. Het zal verkleuren, het zal breken. Dus dan maak ik weer een nieuwe pot. Wit gaat over telkens opnieuw beginnen.”

Verveling heeft De Waal nog niet ervaren achter zijn pottenbakkerswiel. „Het blijft een magische handeling. Je ervaart dat elke beweging van je handen, hoe klein ook, zich meteen in iets anders vertaalt. Je houding, de stand van je vingers, de snelheid, pottenbakken zit eigenlijk vrij dicht bij het bespelen van een muziekinstrument. Elke beweging wordt meteen omgezet in een ander medium. Als ik in een museum sta, kan ik de keramiek bijna horen. Het is niet alleen een ruimtelijk, maar ook een temporaal medium. Ik kan aan het resultaat zien hoe lang iemand erover gedaan heeft dat te bereiken. Ik denk: dat is een pot van vier minuten en over deze heeft de maker een uur gedaan.”

We kijken naar de suikerpot en de melkkan van het Ambassade hotel. Eerder heeft De Waal de communistische historicus E.P. Thompson geciteerd: „Je moet het verleden redden van neerbuigendheid”. Zou dat ook voor dingen gelden? Het stof rond deze voorwerpen is allang opgetrokken, het porselein staat er in musea doods bij. De Waal brengt het stof weer terug, hij toont de wolk die bij het maken van elk voorwerp hoort, hij brengt het terug naar zijn ontstaan. „Toen ik begon als leerling pottenbakker was mijn eerste taak vegen. In het hart van porselein zit wit stof, je werkt altijd in een wolk van stof. Mijn assistenten dragen tegenwoordig maskers. Ik niet.”