Plastisch chirurg van de ziel

Het Grand Palais laat kunstenaars reflecteren op Picasso. Boeiend. Maar als het iets laat zien, is het wel dat diens genie nog altijd boven iedereen uittorent. Who’s the daddy?

Picasso.mania is niet één maar drie tentoonstellingen. De expositie in het Grand Palais behandelt Picasso zelf, de kunstenaars die door hem beïnvloed zijn, en de publieke hype die bijna veertig jaar na zijn dood nog altijd niet voorbij is. Zeker niet bij de makers van deze tentoonstelling, want die vergeten in hun bewondering de kunstenaars die minder van Picasso gediend zijn. Maar zijn werk is zo sterk en zo briljant gepresenteerd dat de lange lofzang bijna geen moment verveelt.

Voor je op Picasso.mania ook maar één kunstwerk hebt gezien – en waarom ook, iedereen kent Picasso – is er een muur met achttien gefilmde portretten van eigentijdse kunstenaars die om de beurt tot leven komen en kort vertellen wat Picasso voor hen betekent. Van Jeff Koons tot Lawrence Weiner, van Frank Stella tot Richard Prince, en van Frank Gehry tot Faith Ringgold. Pas na een tijdje ontdek je in deze donkere zaal op een andere muur een blauwig schilderij, Picasso’s magnifieke zelfportret uit 1901 waarop hij als jonge, hongerige schilder zichzelf afbeeldde, weggedoken in een warme jas en met gloeiend zwarte ogen die je aankijken.

Diezelfde doordringende ogen zijn het eerste wat je ziet in de volgende ruimte, waar latere kunstenaars spelen met Picasso’s uiterlijk, dat minstens zo bekend is als zijn kunst. Een driedimensionale Picasso torent midden in de zaal boven je uit, natuurlijk op blote voeten in sandalen en in blauwgestreepte matrozentrui. Hij heft de armen alsof hij opzweept tot nog meer applaus. In deze sculptuur, Untitled (Picasso) uit 1998 van Maurizio Cattelan, is Picasso gereduceerd tot een stripfiguur met enorm hoofd.

Aan de muren rond het beeld spelen tientallen andere kunstenaars met de clichés van Picasso’s uiterlijk en imago. Van hen is Paul McCarthy – in Rotterdam bekend van ‘Kabouter Buttplug’ – het grappigst. Hij maakte een buste waarin hij de machoschilder die vele, vaak bijna-sadistische relaties met vrouwen had, een enorme neus geeft en zijn rechteroog vervangt door een forse penis met ballen: Dick Eye (2002).

Bam

Dan komt het moment waarop de expositie een dreun in je gezicht uitdeelt. Ja, ja, Picasso die dachten we wel te kennen van al die plaatjes in boeken, al die exposities in al die musea. Bam, een muur met vijftien dicht bij elkaar gehangen schilderijen uit zijn revolutionaire kubistische periode, begin twintigste eeuw. Zoveel ideeën, zoveel genialiteit samengebald in die paar vierkante meters confronteert je onontkoombaar met de al meer dan honderd jaar onverminderde kracht van Picasso.

De arme David Hockney mag daar iets verderop op reageren met foto’s waarin hij het kubistische perspectief analyseert, een paar schilderijen van een harlekijn en een speelse video met jongleurs, maar de toon van de expositie is gezet. Keer op keer zie je thema’s en technieken van Picasso geïllustreerd in het werk van latere kunstenaars en steeds maakt zo’n powermuurtje vol Picasso’s duidelijk who’s the daddy. De wisselwerking tussen hem en de anderen is altijd boeiend, maar zonder hen zou deze tentoonstelling een even sterke blockbuster zijn.

Van die muurtjes is die met veertien (!) portretten uit de jaren dertig werkelijk adembenemend. Altijd die dominante ogen, altijd die verrassende kleuren en vooral altijd die waanzinnig vervormingen in die altijd zo raak getroffen gezichten. De speelsheid en energie waarmee Picasso elke persoon ontleedt, afbreekt, vervormt en weer samenvoegt is duizelingwekkend. Hij is de plastisch chirurg die de ziel als leidraad neemt bij zijn verbouwing. Terecht dat de expositie daar een bankje tegenover heeft gezet waarop je even bij kunt komen.

Van de navolgers is Andy Warhol eigenlijk de enige die hem weet te evenaren. In een reeks zeefdrukken heeft Warhol de vervormde gezichten nagetekend en gecombineerd met Matisse-achtige kleurvlakken. Je ziet en voelt hoe twee van de grootste kunstenaars van de twintigste eeuw elkaar hier raken.

Veel andere kunstenaars bereiken hoge niveaus, zoals Rineke Dijkstra in haar video I see a woman crying uit 2009, over een groepje geüniformeerde Britse schoolkinderen die in een museum het schilderij La femme qui pleure (1937) van Picasso beschrijven en proberen te begrijpen. Terwijl zij over het portret praten bekijk jij hun haarscherp gefilmde gezichten.

Maar sommigen, zoals Roy Lichtenstein, komen niet verder dan het reproduceren van Picasso in hun eigen beeldtaal.

Jasper Johns leende schaduwen en stukken collage van Picasso voor zijn Vier jaargetijden (1987) en maakte daarmee zelfstandige en uitstekende kunstwerken. Ook Richard Prince, Sigmar Polke, Martin Kippenberger – die prachtig speelt met een ander iconisch beeld van Picasso: schilder in onderbroek – weten raad met hun grote voorganger. Romuald Hazoumé maakte in de jaren negentig twaalf maskers in Picasso-stijl. Hij gebruikte, intuïtief en creatief als de meester zelf, de bovenkant van jerrycans, waarbij het handvat een neus wordt en het schenkgat de mond.

In Picasso’s studio (1991), dat voor een flink deel uit quilts bestaat, plaatst Faith Ringgold zichzelf als een van de modellen/hoertjes in het atelier waar Picasso zijn Les demoiselles d’Avignon (1907) schilderde. Dat Ringgold zwart is, geeft het deels op Afrikaanse beelden geïnspireerde Demoiselles een extra laag.

Flauw

De zaal die Picasso’s Guernica behandelt is de zwakste in het Grand Palais. Picasso heeft altijd geworsteld met zijn politieke stellingnames, hij was communist maar vooral kunstenaar en middenstander. Guernica is zijn reactie op het leed van de Spaanse Burgeroorlog (1936-’39), maar het reusachtige Who’s afraid of the big bad wolf? (2012) van Adel Abdessemed vol geschilderde bruine wolvenmuilen en de Verenigde Naties-achtige vergaderinstallatie The nature of the beast (2009) van Goshka Nacuga zijn te flauw voor een serieuze reflectie op het aangrijpende onderwerp.

Omdat dit een Franse expositie is, is er natuurlijk een zaal met beelden uit speelfilms, commercials en videoclips die verwijzen naar Picasso. Naast documentaires en veel films van Godard, is ook een fragment te zien van Woody Allens grappige nostalgische droom Midnight in Paris.

In de volgende zaal zijn de muren vol geprojecteerd met die duizenden keren dat Picasso de internationale kranten, tijdschriften en journaals haalde. Daar wordt de manische manier waarop de twintigste eeuw de man en de kunstenaar behandelde nog eens duidelijk getoond.

Een reden om anders naar Picasso te kijken is er ook in de 21ste eeuw nog niet. Zelfs zonder de prachtige tentoonstelling eromheen maken de vier wanden vol Picasso’s dat zonneklaar.