Het stopt hier nooit, voor mij niet, voor niemand niet

De topman van het Amerikaanse energiebedrijf DCP Midstream, voerde op school geen klap uit. „Lui? Lui? Nee, ik was niet lui.”

Door onze redacteur Jannetje Koelewijn Foto Roger Cremers

Wouter van Kempen: „Zeven van de tien dagen word ik om vier uur wakker, de grijze massa komt op gang en dan slaap ik niet meer.”

Een springerig klein meisje doet de voordeur open, haar vader staat achter haar, groot en breed, twee hondjes blaffend om zijn benen. Enorm huis, enorme tuin, enorme onweerswolken in de verte boven de Rocky Mountains. Maar de regen trekt weg naar de Great Plains en wij krijgen een koel briesje.

Denver, Colorado. De met een Amerikaans accent sprekende man die zich tegenover me in de loungebank naast het zwembad vlijt, glas wijn in de hand, bovenste knoop van zijn overhemd los, is Wouter van Kempen (46). Hij is de chairman, president en chief executive officer van DCP Midstream, in aardgas, van bron tot consument. Ga er maar aan staan, in tijden van schaliegas en CO2 en prijzen die altijd sneller rijzen of dalen dan je gedacht had. Binnen tien minuten zit hij te vertellen hoe zwaar dat soms is.

Dat gaat zo: „Grappig verhaal, een vriendje van me uit mijn tijd in Charlotte, North Carolina, was hier en er waren een hoop stressdingen op mijn werk, ik had veel mensen moeten ontslaan, heel, heel moeilijk, en toen had hij een interessante theorie, niet wetenschappelijk onderbouwd of zo, maar gewoon een interessante theorie over hoe je je in ons soort positie staande houdt. Hij zei: drie dingen waar je op moet letten, dieet, slaap en lichaamsbeweging. Alle drie goed lukt je nooit, maar twee moet je er wel hebben, hoe is dat bij jou? Ik zeg: nou, ik slaap slecht, mijn dieet is mwah en lichaamsbeweging – so so. Dus sindsdien ben ik wat meer gaan bewegen en ik probeer gezonder te eten.”

Op dat moment komt zijn vrouw naar buiten met een schaal vol rauwe groenten. Yolanda van Kempen, Amerikaanse, donkerharig, petite. Ze streelt in het voorbijgaan zijn schouder en zegt: „Honey.”

Hij lacht en vraagt, in het Engels: „Waarom slaap ik zo slecht?”

„Stress”, zegt ze. „Anxiety. En het feit dat ik niet meer werk. Alle druk ligt op jou.”

Hij lacht weer en maakt een gebaar van zie je wel. „Zeven van de tien dagen word ik om vier uur wakker, de grijze massa komt op gang, ik pak mijn telefoon of mijn iPad, er zijn altijd e-mails en ja…”

Yolanda: „Dan slaap je niet meer.”

Geboren in Oegstgeest, vader biochemicus, hoogleraar aan de Universiteit van Leiden, moeder directiesecretaresse, na het gymnasium en Schoevers. Ze stopte toen ze haar eerste kind kreeg. Het bleef bij twee jongens. Hockey. Tennis. Krantenwijk, bollenpellen, vakkenvullen bij AH. ’s Zomers kamperen in de Provence.

Na de lagere school ging hij naar het gymnasium, en daarna naar het atheneum, want hij voerde weinig uit en wat wás hij een vervelend kereltje. „Kwamen mijn ouders thuis van een ouderavond – drámá.” Hij slaat zijn handen voor zijn gezicht. „Achteraf vind ik het wel erg voor ze.” Dan gebaart hij om zich heen en zegt dat het gelukkig goed is gekomen.

Heeft het wat met elkaar te maken, je geklier als kleine jongen en je succes als zakenman?

„Aan dat soort zelfanalyse heb ik nooit gedaan. Misschien werd ik niet hard genoeg uitgedaagd.”

Nooit een coach gehad die je doorzaagde?

„Jawel, maar dat was meer…” Hij denkt na. „…vanwege het probleem… Of nee, laat ik het zo zeggen: als je, tussen aanhalingstekens, de baas bent, is alle informatie die naar je toe komt gefilterd, en hoe zorg je er dan voor dat er mensen zijn die je de waarheid vertellen. En ook, ik doe deze baan nu drie jaar, je groeit ernaar toe, je denkt erover na, totdat je in die stoel zit, en dan merk je dat je relatief nog maar weinig beslissingen hoeft te nemen, want dat gebeurt vaak al op het niveau onder je, maar de beslissingen díé je moet nemen zijn altijd erg complex en soms heel vervelend.”

Wat voor beslissingen?

„Grote investeringen met veel risico. De ontslagronde die we hebben moeten doen. Je hoort twintig kanten van het verhaal… Hé, Claire, how are you doing? Zijn andere dochter, ook klein en springerig, komt de tuin in lopen. „Kom je je even voorstellen? Waarom heb je geen slippers aan?” Weer tegen mij: „Twintig kanten van het verhaal en nog geen zekerheid. Dan kijk ik wel eens in de spiegel en denk: je hebt wel de verantwoordelijkheid voor 3.400 families. Maar nog even over vroeger. Ik dacht wel dat je erover zou beginnen, dus ik heb er in de auto over zitten nadenken. Ik deed altijd het minimale qua huiswerk en studie, altijd. Het omslagpunt kwam vlak voordat ik afstudeerde.” Bedrijfseconomie in Rotterdam. „Ik kon beginnen bij de Nederlandse vestiging van GE, General Electric, een van de grootste bedrijven van de wereld, Jack Welch was er toen nog, dé Jack Welch, maar ik moest mijn scriptie nog schrijven, en toen heb ik voor het eerst van mijn leven waanzinnig hard gewerkt. Elke dag van zeven uur ’s ochtend tot elf uur ’s avonds. Tot ik klaar was.”

Hoe kan het dat GE je wilde hebben als je zo lui was?

„Nou, lui, lui. Ik was niet lui. Ik deed er een hele hoop naast. Ik gaf wiskunde aan propedeusestudenten. Ik was lid van Laurentius. Almanakcommissie, Candidatencommissie, Kascommissie…”

Daar krijg je geen baan bij GE mee. Dus hoe ging dat?

„In mijn laatste jaar was ik begonnen met solliciteren, en ik wist altijd al dat ik in het bedrijfsleven wilde werken, ik wilde zeker niet zoiets als wat mijn vader deed, de wetenschap was niks voor mij, en toen hoorde ik via een recruiter dat GE met me wilde praten.”

Wat zagen ze in je?

„Heb ik ze nooit gevraagd. Oké, oké, ik ben ondernemend, analytisch, goed met cijfers, geen individualist, totaal niet. Drive. High energy. Impatient. Competitive. In Nederland moet je dat een beetje bedekken, en hier ook wel, maar minder. Het gaat er ook om hoe je je doel bereikt. Je kunt wel zeggen: take that wall, maar als je door die muur heen bent gerend en er liggen twintig doden om je heen, is er toch iets niet helemaal goed gegaan.”

Yolanda komt naast hem staan, streelt zijn schouder en vraagt of hij zo het vlees op de barbecue wil leggen. Hij zegt ja, maar doet nee. Hij vertelt over zijn derde sollicitatiegesprek bij GE, hoe hij uren te laat kwam omdat de uitnodiging hem niet bereikt had. Ze moesten hem bellen waar hij bleef. „Grappig verhaal, Yolanda was daar toen ook. We hebben die dag niet met elkaar gesproken, maar ik herinner me precies waar ze stond en wat ze aanhad.” Paars jurkje. Zij was al trainee, en hij werd het. Allebei in finance.

Wilde je graag bij een Amerikaans bedrijf werken?

„Ik wilde vooral een internationale carrière. En bij ABN Amro en Shell was het: je begint in Nederland en over een jaar of zes, zeven kijken we verder. Bij GE was het: als je hier over één of twee jaar nog zit, is er iets misgegaan. En bij GE kon ik zowel de industriële als de financiële kant op. Kind of a no brainer.”

Een zwaar leven werd het wel. Tachtig uur per week werken, voortdurend verhuizen, voortdurend nieuwe dingen. „Ze houden je op het steile stuk van je leercurve, en zodra die begint af te vlakken, hup, weg, naar een andere plek, een ander land. Je kunt besluiten om niet op die fast track te blijven, of het wordt voor je besloten, maar dan gaat je carrière horizontaal en dat wilde ik niet. En ik heb het geluk gehad dat ik in Jack Welch z’n laatste jaren op het hoofdkantoor van GE werkte, mergers & acquisitions. Als je met hem aan tafel zat om over een deal te discussiëren, wist je: aan het eind van dit gesprek is het ja of nee, crystal clear. Daar heb ik veel van geleerd. Ik ben erg direct, en men ziet dat als een Nederlandse eigenschap, ook in Amerika. Maar Jack Welch was ontzéttend direct.”

Hij had een Nederlander kunnen zijn?

„Ik word altijd een beetje kriegel als mensen praten over wat typisch Nederlands of typisch Amerikaans is, maar als je die kant op wilt: ja. In zijn directheid had hij iets Nederlands. In hoe hij de business runde was hij Amerikaans. Totally dedicated. Ik zeg niet dat het goed of slecht is, maar men werkt hier harder dan in Nederland. Het stopt nooit, voor mij niet, voor niemand niet. Wat dat betreft ben ik Amerikaans geworden. Ik moedig de mensen die voor me werken aan om met vakantie te gaan, anders doen ze het niet, maar ik word kriegel als ze in hun vakantie niet even een mailtje willen beantwoorden.” Wat hij ook van Jack Welch geleerd heeft: mensen met handgeschreven briefjes bedanken voor wat ze gedaan hebben. De telefoon pakken: „I appreciate you are doing that.” En heel veel mailen.

Yolanda komt weer naast hem staan en zegt dat zij de steaks op de barbecue gaat leggen.

Hij: „Meen je dat?”

Zij: „Ik ga het proberen.” Tegen mij: „Wouter is de grillmaster in huis.”

We eten onder de pergola, naast de buitenkeuken. Er is ook volkorenrijst met paddenstoelen, en sla met avocado en tomaten. De hondjes dartelen rond de tafel. Wouter van Kempen vraagt aan Ella en Claire, 13 en 11, of ze in Nederland zouden kunnen wonen. Ella denkt van wel, als ze later groot is, maar Claire schudt nee. Ze spreekt niet eens Nederlands, hoe zou dat moeten?

Hij: „Weten jullie wat zo fijn is aan het leven in Nederland? Elke dag bitterballen en kroketten.”

De meisjes lachen en Yolanda doet alsof ze boos is. Tegen mij: „Hij eet zo slecht als we daar zijn. Het slechtste dieet dat je je kunt voorstellen.”

Hij: „Patat met mayonaise en pindasaus. Broodjes filet americain. Geen idee waarom dat zo heet, want hier kun je het helaas niet vinden.”

Zij: „In juli zijn we allemaal jarig en dan geven we voor onze vrienden een grote Nederlandse party.”

Hij: „We serveren ze alle karikaturale Nederlandse stuff. Bitterballen, haring, Heineken, Amstel, Ketel One.”

Ella, in het Nederlands: „Borrel eh…”

Hij: „Borrelnootjes.”

Ik vraag of ze hun vader Nederlands of Amerikaans vinden.

Tegelijk: „Dutch.” Claire, met haar ogen rollend: „His accent.”

Wouter lacht en Yolanda zegt dat hij sommige woorden zo grappig uitspreekt. A deer met een r. Cookie met een oe. „En zeg eens hoe je heet?”

Hij, in het Amerikaans: „Wouter.”

Zij: „En wat komt er uit de kraan?”

Hij: „Water.”

Yolanda en de meisjes liggen dubbel. Zij horen geen enkel verschil.

In het begin heeft Wouter nog wel geprobeerd om met Ella en Claire Nederlands te praten. Maar ja, maar ja. „Hoeveel mensen in de wereld spreken er Nederlands?”

Ella: „Drieëntwintig miljoen.”

„En Frans?”

Ella: „Tweehonderd miljoen.”

„En Engels? Billions of people spreken Engels.”

De meisjes gaan van tafel en Yolanda vertelt over haar moeder, die al jong gescheiden was en de kost verdiende als verpleegster. Een armoedige jeugd. Yolanda stak zich in de schulden om te kunnen studeren. GE stuurde haar naar Nederland en zij herinnert zich ook nog goed dat ze Wouter van Kempen voor het eerst zag. „Je was te laat.”

Hij: „Maar het was liefde op het eerste gezicht. Toch?”

Zij: „Haha, dat dacht je maar.”

Hij: „Ik was niet van plan om te trouwen, en op een avond vertelde ik mijn vader hoe ze daar in Amerika mee omgingen, zo traditioneel, met ringen en dat soort dingen, en toen zei hij: voor jou is het misschien niet belangrijk, maar voor Yolanda wel.”

Zij: „Je vader vroeg of je voor altijd met mij samen wilde zijn.”

Hij: „En toen ik ja zei, zei hij: dan moet je met haar trouwen.” Dat was in 1998. In 2004, na de geboorte van Claire, stopte Yolanda met werken. Twee carrières, dat was niet vol te houden.

Na het eten doet hij de kolenhaard op het terras aan. Die brandt op gas. Hij vertelt over zijn overstap naar Duke Energy in 2003 – hij wilde niet zijn hele carrière bij GE blijven – en daarna, in 2010, naar DCP Midstream. Hij kende de bestuursvoorzitter en die wilde hem hebben als chief financial officer. „Maar ik zei, dat werkt voor mij niet, want mijn idee is, als jij met pensioen gaat, dan wil ik… dan wil ik...”

... je opvolgen.

„Ja. Of in elk geval wilde ik dat de board serieus naar mij zou kijken. En cfo’s worden bijna nooit ceo als ze nog maar zo kort bij een bedrijf zijn.” Het werd een baan in de industrie. President of Gathering and Processing, DCP’s grootste bedrijfsonderdeel.

Is het normaal om tegen de ceo te zeggen: ik wil je opvolgen?

„Wel als hij je vriend en mentor is. We wisten allebei dat er geen interne kandidaat was, en ik wilde eh... een bedrijf eh... runnen.”

Waarom zeg je het zo voorzichtig?

„Het klinkt zo pompeus. Al mijn titels, ik heb heel veel titels, ik ben chairman en president en ceo, maar ik praat er nooit over. Dat is de Hollander in me. Doe maar gewoon.”

Ben je geïnteresseerd in de energie-business?

„Ja, zeer, omdat het aan zoveel raakt. Nu met het schaliegas, dat is een nieuwe industriële revolutie, de shale revolution. Of je nou naar Amerika of naar Europa kijkt, manufacturing is voorbij. Maar dat gaat veranderen door de shale revolution. We hebben hier een onbeperkte voorraad olie en gas die we goedkoop uit de grond kunnen halen en dat geeft de Amerikaanse economie een waanzinnig voordeel tegenover iedereen in de wereld. De industrie komt terug naar Amerika. Europeanen en Japanners bouwen weer fabrieken in Amerika. Wie had dat tien, vijftien jaar geleden gedacht? En wij zitten daar met ons bedrijf middenin. Zeer uitdagend. Ik heb er helemaal geen probleem mee dat een deel van de energie uit renewables komt, zon of wind of wat dan ook, ik geloof in een balanced energy portfolio, maar laten we eerlijk zijn: fossiele brandstof verdwijnt niet uit deze wereld. Honderd procent renewables, dat gaat niet gebeuren. En als dat wel zou gebeuren, willen mensen nog steeds plastic hebben. Er zal toch olie en gas uit de aarde getrokken moeten worden om plastic te maken. Mensen realiseren zich dat totaal niet.”

Aan het eind van de avond geeft hij me een lift naar mijn hotel. In de garage staat, tussen vier auto’s in, een Gazelle-fiets. „Lachen, vind je niet? Van Yolanda. Zij fietst vaak met de kinderen naar school.”

Een paar weken later ontmoeten we elkaar weer, bij zijn ouders in Oegstgeest. Jarendertighuis, twee-onder-een-kap, het past wel vier keer in het huis in Denver. De dag ervoor is hij met Yolanda naar Amsterdam geweest, de meisjes gingen met hun oma naar Corpus in Leiden.

Van Kempen gaat met de fotograaf mee naar buiten en zijn ouders vertellen hoe wonderlijk het is, twee zoons in zaken – de oudste heeft een eigen bedrijf – terwijl ze zelf zo onzakelijk als wat zijn. Van Kempens vader doet voor de lol Latijn. Hij leest met een groepje andere gepensioneerden Ovidius (Metamorfosen) en Vergilius (Aeneis). „Wouter lacht erom.”

Zijn moeder: „Hij is ook trots op je.”

Voorheen gingen ze twee keer per jaar naar Amerika, nu ze ouder worden nog maar één keer. Het tijdverschil en het hoogteverschil – Denver ligt op 1.600 meter – begint hun steeds zwaarder te vallen. En ze komen in een druk gezin.

Vader: „Maar we maken er altijd wat bijzonders van.”

Moeder: „We zijn met Ella mee naar de grandparents day op school geweest.”

Vader: „Heel leuk. We hebben een les Engels en een les geschiedenis bijgewoond. Het ging over freedom of speech. Daar kon ik wel wat over vertellen. En ook over de Pilgrim Fathers. Die vluchtten uit Engeland naar Leiden, daarna pas naar Amerika.”

Ze vertellen dat hun zoon een paar keer per week belt, meestal als hij in de auto zit. Waar hebben ze het dan over?

Vader: „Haha, over niks.”

Moeder: „Wouter is niet heel spraakzaam.”

Vader: „Waar moet je het over hebben? De olieprijzen?”

Op dat moment komt Wouter van Kempen weer binnen. Hij zegt: „En daar heb ik dan geen zin in.”

Moeder: „Natuurlijk niet. We zijn blij als je belt, ook al zeg je maar vier of vijf woorden.”

Hij stuurt vaak foto’s en in het weekend facetimen ze. Zijn moeder mailt met Ella, in het Engels, maar ook wel in het Nederlands. Ze wil het nog niet opgeven.