Het is onze taak mythes door te prikken

Het oud-VVD-Kamerlid is deze week begonnen als hoofd van de Algemene Rekenkamer, het instituut dat de uitgaven van het Rijk controleert. „Wij zijn de club die het licht aandoet op een leuk feestje.”

Arno Visser, president van de Algemene Rekenkamer: „Als een ander onze boodschap niet overneemt, moeten we bij onszelf te rade gaan.”Foto David van Dam

Je zou het niet zeggen, maar de nieuwe president van Algemene Rekenkamer was vroeger goed bevriend met Geert Wilders. Als jonge, ambitieuze VVD’ers trokken ze vanaf eind jaren negentig veel en intensief met elkaar op. Toen Wilders veertig werd – in 2003 – vierde hij dat met een exclusief etentje voor vier personen: hijzelf, Visser en hun beider partners.

Die vriendschap, vertelt Visser, is nu „geëindigd”. Hij kon Wilders’ denkbeelden niet meer volgen, nadat hij in 2004 uit de VVD was gezet en verder ging met de PVV. Toch spreken de twee elkaar nog wel eens: wanneer Kamerlid Wilders bij de Rekenkamer aanklopt voor feiten en advies. Een belemmering voor dat soort zakelijke contacten is de verbroken vriendschap niet, zegt Visser. „Wilders is voor mij geen persona non grata.”

Zakelijk en privé scheiden – Arno Visser (49) begint er tijdens het gesprek telkens opnieuw over. Zijn loopbaan op en rond het Binnenhof gaat meer dan twintig jaar terug. Vanaf begin jaren negentig werkt hij, met enkele onderbrekingen, in Den Haag. Hij kent alle politieke hoofdrolspelers – in elk geval de VVD’ers. Vandaar die strikte scheiding tussen werk en privé.

Donderdag was Vissers eerste werkdag als president van de Algemene Rekenkamer, het college dat het overheidsbeleid controleert op rechtmatigheid en effectiviteit. Hij nam, na een stevige opfrisbeurt, intrek in de kamer van zijn kettingrokende voorganger Saskia Stuiveling. Zij ging dit voorjaar na ruim dertig jaar Rekenkamer met pensioen.

Wat gaat u anders doen ten opzichte van uw roemruchte voorganger?

„Saskia was een instituut dat een instituut verliet. Daar ga ik me niet mee vergelijken. Zij was hier dertig jaar, ik nog maar drie. En ik ben van een andere generatie. Bij de Rekenkamer zal zeker wel wat veranderen. We hebben in de afgelopen vier jaar drie nieuwe collegeleden gekregen [Kees Vendrik (GroenLinks) trad in 2011 aan, afgelopen donderdag Francine Giskes (D66), red.]. Dat zijn andere mensen, met een andere stijl en een andere klank. Ik ga door op de weg die Saskia heeft ingezet, met het moderniseren van ons werk, bijvoorbeeld door te werken met open data. Het is de taak van de Rekenkamer om op een moderne manier antwoord te geven op nieuwe en terugkerende oude vragen.”

Op wat voor vragen bijvoorbeeld?

„Ik zie het als onze taak om mythes door te prikken. Heel vaak zie je de Kamer debatteren terwijl men niet over de juiste gegevens beschikt. Neem het Groningse gasdossier. Daar vlogen de getallen je om de oren, maar niemand wist wat de gasbel ons nu echt oplevert. Daar zijn we vorig jaar eens ingedoken. Wat blijkt? Sinds 1959 heeft Nederland 265 miljard euro aan gas verdiend. Alleen: een aanzienlijk deel kwam niet uit de bodem in Groningen, maar uit de Noordzee.

„We zijn onlangs in schoolgebouwen in Nederland gedoken. Die verkeren in slechte staat en dat tast de kwaliteit van het onderwijs aan, is de veronderstelling. Maar klopt dat wel? Dat weet niemand! Sinds die gebouwen in 1997 zijn gedecentraliseerd is er geen ambtenaar meer op het ministerie die dat bijhoudt. Wij willen daar wat rationaliteit inbrengen.”

Nee, president van de Rekenkamer worden was niet de jongensdroom van Arno Visser. Hij is geen gediplomeerd rekenaar: hij studeerde, na een poging bedrijfskunde („verkeerde keuze”), uiteindelijk literatuurwetenschappen in Groningen. Wel wist hij vanaf het einde van zijn studietijd dat hij in het openbaar bestuur wilde werken. Beslissend waren de reizen die hij maakte naar Oost-Europa, vlak na de val van de Muur in 1989. „We zijn in een oud autootje naar Praag en Boedapest gereden en hebben daar vrienden gemaakt. Ik besefte: in Nederland nemen we voor kennisgeving aan wat even verderop zwaar bevochten wordt: democratie, welvaart, vrije keuzes. Toen ben ik lid geworden van de VVD.”

Visser werkte als adviseur van Hans Dijkstal, eerst vicepremier en later fractievoorzitter onder de paarse kabinetten. Vanaf 2003 zat hij zelf in de Tweede Kamer. Daar had hij als woordvoerder asielzaken dagelijks te maken met het weinig fijnzinnige optreden van VVD-minister Rita Verdonk. „Als ik kritiek had, zei ik dat. En ik meldde het altijd netjes van tevoren.”

Na de leiderschapsstrijd tussen Verdonk en Mark Rutte in 2006 verliet Visser gedesillusioneerd de Tweede Kamer. Ook hij was beschadigd geraakt door de onderlinge twisten. Fractiegenoten hadden tegen journalisten gefluisterd dat hij Verdonk binnenskamers kritiekloos steunde – bepaald geen aanbeveling in die tijd. „Dat verhaal is een eigen leven gaan leiden, maar het klopt niet. Ik was juist een van de eersten die zich publiekelijk vóór Rutte uitsprak.”

Rutte kent hij inmiddels ook al twintig jaar. Midden jaren negentig richtten ze samen een clubje op onder de naam ‘Talleyrand’, waarin ze discussieerden over maatschappelijke vraagstukken. Tegenwoordig treffen Visser en de premier elkaar in een eetclub van vrienden in Den Haag. „Als we elkaar zien, praten we niet over politiek. En als ik hem zakelijk tegenkom, praten we niet over privékwesties.”

Na vijf jaar wethouderschap in Almere belandde Visser in het college van de Algemene Rekenkamer. Hij omschrijft zijn instituut met enige ironie als „de club die het licht aandoet op een leuk feestje”. Ze doen bij de Rekenkamer nu eenmaal het soort werk waar politici en ambtenaren niet op zitten te wachten: uitzoeken of al dat belastinggeld wel op een fatsoenlijke wijze besteed is. Kamerleden lanceren liever grootste plannen voor de toekomst; bewindslieden vinden kritiek op hun uitgaven maar lastig. Visser: „Wij zijn de beste vriend van kabinet en Kamer maar geen allemansvriend. In de politiek gaat nu eenmaal de meeste belangstelling uit naar de toekomst, naar het geld dat nog moet worden opgehaald.”

De Rekenkamer heeft onder Vissers voorganger onbetwist aan gezag gewonnen. De relatie met zowel Kamer als ministeries is aanmerkelijk verbeterd, oordeelde Stuiveling bij haar afscheid eind mei. Kamerleden doen hoe langer hoe meer een beroep op de Rekenkamer en gebruiken de geboden informatie ook in debatten. Departementen zijn stipter met het inleveren van hun jaarrekeningen.

Wordt er wel genoeg naar u geluisterd? Uit een recent overzicht blijkt dat departementen met 20 procent van alle aanbevelingen van de Rekenkamer niets doet.

„Het valt me op dat er altijd aandacht is voor aanbevelingen die niet worden opgevolgd. Als een minister roept ‘Goed idee, gaan we doen’, hoor je nooit iemand. Het percentage ligt overigens iets lager. Maar het is natuurlijk nooit genoeg. Voor die laatste 10 tot 15 procent moeten we niet moe worden te herhalen waarom wij iets vinden en waarom dat relevant is.”

Op het gevaar af drammerig te worden?

„Een verzuurde aanpak werkt niet. Het is ons werk om de lat altijd hoger te leggen en wel op zo’n manier, dat het weer fris oogt. Als een ander onze boodschap niet overneemt, moeten we bij onszelf te rade gaan. Hoe kan ik onze bevindingen nou zo overbrengen, dat de ander er wat aan heeft? Het gaat niet om gelijk hebben, maar om gelijk krijgen. Onze manier van communiceren is al flink gemoderniseerd. Onze rapporten bevatten veel beeldtaal.”

Hoe zorgt u ervoor dat niemand denkt: daar zit een VVD’er bij de Rekenkamer?

„Allereerst: we zitten hier met z’n drieën, uit drie verschillende partijen, dus we houden elkaar scherp. En verder moet ik het gewoon laten zien. Ja, ik ben lid van de VVD – dat is geen geheim. Maar ik ben géén VVD’er in deze functie. Als ik inga op een zakelijk verzoek van een VVD-Kamerlid dan neem ik Kees Vendrik mee, en we geven het antwoord ook aan de andere fracties. We geven nooit exclusief informatie aan één partij.”

Wordt u dan nooit informeel gebeld om iets uit te zoeken of te regelen?

„Men weet dat je daarvoor niet bij mij hoeft te zijn. Toen ik in 1994 secretaris werd van de VVD-bewindslieden in het eerste paarse kabinet werd ik vaak gebeld. Ik beschikte over veel interessante informatie. Maar ik gaf geen antwoord. Na twee weken hielden de telefoontjes op. Ik ben vier jaar niet meer lastiggevallen.”