Column

Goed-fout-discussie is de dood in de pot

De verkiezingen in Wenen, zondag, kregen internationaal veel aandacht. Terecht. Wat hier gebeurde, laat zien dat de westerse democratie met een groot probleem zit. De extreem-rechtse partij FPÖ dreigde voor het eerst de grootste partij te worden in de Oostenrijkse hoofdstad, die al bijna een eeuw (met tussenpozen) door de socialistische SPÖ wordt bestuurd. Peilingen voorspelden een nek-aan-nekrace tussen FPÖ-leider Strache en SPÖ-burgemeester Häupl: beiden zouden 33 tot 36 procent van de stemmen krijgen. Extreem-rechts, dat tien jaar geleden in deze kosmopolitische stad amper 15 procent haalde, zou een record gaan breken. De SPÖ, die tien jaar geleden nog 50 procent haalde, zou wederom kiezers verliezen. De media sloegen alarm. De opkomst was hoog. En de socialisten wonnen. Ze kregen 39,5 procent, de FPÖ 31 procent.

Waarom werd de FPÖ met relatief gemak verslagen? Simpel: de race werd er een tussen goed en kwaad. De socialisten werden gezien als de enigen die de FPÖ konden stoppen. Ook niet-socialisten besloten een strategische stem uit te brengen op burgemeester Häupl. Sommigen vertellen dat ze op weg naar het stemlokaal nog niet wisten of ze op de Groenen of op Neos zouden stemmen (Neos is een nieuwe liberale partij, dat een alternatief wil bieden voor de socialistisch-conservatieve coalitie die Oostenrijk al sinds de oorlog regeert). Pas in het stemhok besloten ze: toch maar SPÖ. Ze wilden zichzelf niet kunnen verwijten dat ze niet genoeg hadden gedaan om de FPÖ te blokkeren.

Het ‘goede’ heeft dus gezegevierd. Gelukkig. Maar velen zitten nu met een kater. Wat een democratie kenmerkt, is dat burgers de keus hebben tussen partijen die inhoudelijk andere dingen willen. Daarvan was tijdens de Weense campagne weinig te merken. Tijdens een verkiezingsdebat op de televisie stonden alle lijsttrekkers tegenover Strache. Hij viel hen, het ‘establishment’, frontaal aan omdat ze geen vluchtelingen zouden weren, pro-Europees zouden zijn, enzovoort. De andere vier verdedigden de status quo; het verschil tussen hen zat hem vooral in taalgebruik en temperament. Dat veel stadsbewoners na twintig jaar Häupl wel eens een andere burgemeester willen – dat sentiment werd vooral door Strache verwoord.

Vroeger ging politieke strijd tussen links en rechts. Maar het verschil tussen die twee is vervaagd. PvdA of VVD, Labour of Tories, SPD of CDU – links of rechts stemmen maakte de laatste twintig jaar niet zoveel uit. Zelfs het linkse Syriza voert de plannen van de vorige conservatieve Griekse regering uit en beweegt naar het midden. Tegenwoordig gaat politieke strijd, lijkt het wel, vooral tussen gevestigde partijen – links, rechts en extreem-rechts. Vaak gaat die strijd minder om inhoud (middenpartijen nemen immers een deel van het extreem-rechtse discours over) dan om morele stellingname: goed-fout. Dit is de dood in de pot voor de democratie.

Volgens Chantal Mouffe, hoogleraar aan de universiteit van Westminster, moeten burgers in een levendige democratie vooral kunnen hopen, eventueel op iets wat ze misschien nooit krijgen. Als er te weinig verschillen zijn tussen partijen, verplaatst die hoop zich naar de rand van het politieke spectrum, stelt Mouffe. Zo verklaart zij de opkomst van extremistische groeperingen (ook islamisme): zíj geven mensen hoop, niet de gevestigde partijen.

De Weense verkiezingen zijn een waarschuwing voor heel Europa. De FPÖ mag het ‘kwaad’ zijn, maar de partij is wel gegroeid. De socialisten mogen het ‘goede’ belichamen, ze hebben toch stemmen verloren. Hoe lang kan het politieke middenveld zich nog verschuilen achter het onderscheid tussen goed en kwaad?