De zenuwen van bloed

De voorbereiding op de Amsterdam Marathon werd verstoord door zijn afwijkend bloedprofiel. Maar de 29-jarige atleet jaagt hardnekkig op de olympische limiet.

Michel Butter in woonplaats Castricum bezig met de laatste voorbereidingen. „Haptonomie geeft mij de zen die Kenianen van nature hebben.” Foto Olivier Middendorp

Vertwijfeld steekt Michel Butter zijn armen in de lucht en verzucht: „Hand in het vuur, dat ik niks met doping heb. Mijn hele leven al niet. Doping interesseert me niet. Ik probeer doping te blokken, want het brengt me geen stap verder. Ik wil er gewoon niets van weten.”

Tot twee maanden terug, via de Duitse televisiejournalist Hajo Seppelt, een lijst van de internationale atletiekfederatie IAAF uitlekte van atleten met afwijkende bloedwaarden en Butter te horen kreeg dat ook zijn naam op die lijst voorkomt. Toen wenste de marathonloper, die morgen in Amsterdam de olympische limiet (2.11,00 uur) wil slechten, logischerwijs meer weten. Butter werd na onderzoek door dopingexpert Douwe de Boer gauw gerustgesteld dat zijn bloedprofielen niet verdacht waren. De afwijkingen waren vermoedelijk een gevolg van hoogtestages.

Nu zegt Butter dat de naamsvermelding hem niet uitmaakt, maar wel te hopen „dat dombo’s – en dan bedoel ik mensen zonder kennis van zaken – die waarden niet verkeerd interpreteren.” Waarna hij in ronkende termen zijn afkeer van doping uitspreekt. Maar ook vertelt Butter te hebben getwijfeld of het trainingskamp in Kenia, ter voorbereiding op de Amsterdamse marathon, wel moest doorgaan. „Ik was vooral bezig met mijn imago. Mijn bloedwaarden en een ontplofte ‘bom’ over doping in Kenia, was het wel verstandig om te gaan?”

Butter liet zich goed voorlichten en vertrok toch naar Kaptagat, waar hij in the middle of nowhere, te midden van enkele tientallen Keniaanse langeafstandslopers, ruim drie weken op hoogte aan zijn vorm werkte.

Dat roept ook de vraag op of Butter niets heeft gemerkt van duistere doktoren bij wie Keniaanse lopers een spuit van de hormonale bloedcellenversneller epo kunnen kopen, zoals bleek uit opnamen met een verborgen camera in een televisiedocumentaire van Hajo Seppelt. Niks, bezweert de Castricumse loper. „Dat is het gekke. Ik kom er al sinds 2007, maar heb nooit iets gemerkt van doping. Echt, ik zou niet weten bij welke dokter je epo kunt halen. Ik heb Kenianen wel eens namen van verdachte atleten horen noemen. Maar dan vraag ik me af: waarom pak je niet de telefoon om de dopingautoriteit te bellen?”

Maar wordt er tussen Keniaanse atleten onderling niet over doping gesproken? „Misschien naïef”, zegt Butter, „maar ik heb nooit iets gemerkt. Ik spreek hun taal ook niet. Zelf begin ik er niet over. Ik heb er niks aan. Ik kom in Kenia om te trainen. Ik ben niet de oplosser van het probleem. Het remt me alleen maar in mijn ontwikkeling.”

Want Butters streven is een topmarathon te lopen, te beginnen morgen in Amsterdam, waar hij de strijd om de ‘beste Nederlander’ aangaat met zijn landgenoten Abdi Nageeye en Khalid Choukoud, die beiden eveneens sterke olympische ambities hebben.

De marathon, de afstand die sinds 2011 zijn thuis is geworden. De afstand waarop Oost-Afrikanen mondiaal dusdanig domineren, dat Butter bij voorbaat kansloos is voor een prijs. Maar dat ontmoedigt niet de marathonloper, die na Gerard Nijboer en Kamiel Maase als derde Nederlander onder de 2.10,00 (2.09,58) finishte. Strijdlustig: „Het Europees kampioenschap is een doel, maar diep van binnen hoop ik ooit in de topdrie van één van de zes Major Marathons te eindigen. Waarom niet? In Boston werd ik al eens zevende. Weliswaar op drie minuten van de winnaar, maar het was gaaf een keer te strijden met de wereldtop. Op de Olympische Spelen hoef ik ook geen goud te winnen, maar ik mag toch zeker wel dromen van een medaille.”

Natuurlijk, Butter wil altijd winnen, maar het gaat de loper meer om het proces dan om het resultaat. Daarom raakt hij ook niet gedemotiveerd op trainingskamp in Kenia, „waar atleten uitzonderlijk talentvol zijn, niet meer normaal.” Butter moeten tijdens trainingen regelmatig passen, zo hard gaat het. En dat met relatief weinig inspanningen, want Butter ziet de Kenianen ook weer niet beestachtig hard trainen. „Ik trainde het hardst van iedereen in dat gebied, daar ben ik van overtuigd. Omdat ik intrinsiek enorm gemotiveerd ben. Maar wat kan ik doen tegen talenten die van nature ongelooflijk goed zijn en ook nog eens op hoogte zijn geboren?”

Weinig, is het antwoord op deze retorische vraag. En dus stelt Butter zijn eigen doelen en wil hij vooral genieten van de marathon, die hij in zijn grootsheid niet romantiseert maar benadert als een bezigheid waar het aankomt op details. Hoe onderscheid je je van een concurrent? Hoe weersta je hitte of kilte? Hoe houd je tot de 34ste kilometer het glycogeen op peil, zodat in de laatste fase nog energie resteert om te kunnen versnellen? Of hoe loop je een negative split – het tweede deel sneller lopen dan het eerste deel? Dan zijn de kwesties waarmee Butter zich bezighoudt. En waar hij zijn loopgeluk in zoekt.

‘Doel is er, maar het is niet heilig’

Marathonlopen, heeft Butter ondervonden, is meer dan over 42 kilometer en 195 meter van start naar finish lopen. Het is ook een mentaal gevecht. Tegen de pijn of de teleurstellingen. De druistige Butter heeft zichzelf nu onder controle. Met dank aan haptonoom Harm Aldershof, die hem vanaf 2010 begeleidt. Niet forceren, is diens mantra. „Het doel is er, maar het is niet heilig”, hoor je Butter nu zeggen. Of: „Je moet kunnen trainen op het niveau wat je hebt, niet op het niveau wat je wilt hebben.” En: „Haptonomie geeft mij de zen die Kenianen van nature hebben.”

Bepaalde haptonomische sessies deelt Butter met zijn trainer Guido Hartensveld. Hun relatie is er intensiever door geworden, zegt Butter. En de verhoudingen zijn erdoor veranderd. „Voorheen liet ik te veel aan Guido over, maar nu heb ik meer de bevoegdheid over mijn proces gekregen. Ik ben tenslotte de loper. Ja, er zijn momenten geweest dat ik een breuk heb overwogen. Omdat ik na vijftien jaar niet het gevoel wil hebben dat ik niet zonder Guido kan. Maar dan moet hij als coach ook progressie blijven maken. En dat zie ik gewoon. Hoewel je altijd kritisch op elkaar moet blijven, raak ik er steeds meer van overtuigd dat we blijven samenwerken. Dankzij de haptonoom blijven we mooi op koers.”