De Plato uit de polder

Frans Hemsterhuis is een grote maar onbekende denker. Zijn werk blijkt leesbaar en actueel: wij zijn beslist niet ons brein.

Portret van Frans Hemsterhuis, getekend door D.P.G. Humbert de Superville (1770-1849). Prentenkabinet Universiteit Leiden

Iedereen weet wie Spinoza is. Of Erasmus, of Hugo de Groot, ook wie niets van hen gelezen heeft. Van Frans Hemsterhuis (1721-1790) kennen de meeste mensen hooguit een naar hem vernoemde straat. Toch hoort hij in hetzelfde rijtje thuis. Ook hij behoort tot de weinige Nederlandse filosofen die in het buitenland weerklank hebben gevonden. Hemsterhuis was zelfs beroemder in het buitenland dan in eigen land, waarschijnlijk omdat hij als verlicht kosmopoliet in het Frans schreef. Diderot becommentarieerde zijn Lettre sur l’homme et ses rapports (1772) en in 1792 werden in Parijs zijn Oeuvres philosophiques uitgegeven, nadat eerder hetzelfde al was gebeurd in Duitsland, waar in 1782 twee delen Vermischte Schriften uitkwamen.

In Duitsland heeft Hemsterhuis de meeste waardering ondervonden, bij dichters en denkers als Jacobi, Goethe, Herder, Novalis, Hölderlin en de gebroeders Schlegel. August Wilhelm Schlegel beschouwde hem zelfs als voorloper van Kants transcendentale filosofie. Georg Forster omschreef hem als de ‘Plato van de achttiende eeuw’. Door weer anderen werd hij de ‘Bataafse Socrates’ genoemd.

Maar wat vonden die grote namen, behalve dan de kritische Diderot, zo de moeite waard in het denken van Hemsterhuis?

Lange tijd werd de kennis van Hemsterhuis’ denken bemoeilijkt doordat zijn werk nauwelijks in moderne edities beschikbaar was. Meybooms editie in drie delen uit 1846-1850 bleef maatgevend, totdat in 2001 door toedoen van M.J. Petry Frans Hemsterhuis Wijsgerige Werken verschenen, bestaande uit een gemoderniseerde Franse tekst met Nederlandse vertaling. Het is nog altijd de meest complete uitgave, want in de pas verschenen Oeuvres philosophiques, bezorgd door Jacob van Sluis van de Universiteitsbibliotheek Groningen, zijn alleen de teksten opgenomen die Hemsterhuis tijdens zijn leven heeft erkend, door ze zelf uit te geven of ze door anderen te laten drukken.

Dat laatste geldt bijvoorbeeld voor zijn Lettre sur l’athéisme, in 1789 uitgegeven door Jacobi in het kader van de door hem ontketende ‘Pantheismusstreit’ over de betekenis van Spinoza. Jacobi beschouwde het Spinozisme als een vorm van fatalisme en atheïsme, en volgens hem liep alle moderne rationalistische filosofie daar op uit. Jacobi zette zijn verlichte tijdgenoten het mes op de keel: zij moesten kiezen tussen God en het Niets.

Dualisme van lichaam en geest

Weinigen waren bereid voor dat angstaanjagende Niets te kiezen, maar voor een ‘salto mortale’ in het geloof voelde men meestal evenmin. Zo ook Hemsterhuis, die zich in zijn Lettre distantieert van Spinoza, zonder voor enige vorm van christelijke orthodoxie te kiezen. Daarvoor was hij weer te veel een man van de Verlichting. Zijn denken past in het schemergebied tussen Verlichting en Romantiek. Zijn ambitie was het om filosofie en wetenschap, Plato en Newton met elkaar te verzoenen. Maar het radicale materialisme (en atheïsme) van iemand als Diderot ging hem veel te ver.

Hij geloofde heilig in het dualisme van lichaam en geest (of ziel). Als we Hemsterhuis mogen geloven zijn wij beslist niet ons brein: de beperkingen van het lichaam gelden niet voor de mogelijkheden van de ziel. De mens op aarde kon nog het best worden vergeleken met een vis op het droge, aldus Hemsterhuis. Of met een rups, die zich pas in een volgend leven zou ontpoppen tot een vlinder. Dat klinkt behoorlijk fantastisch, maar bij de verheven verlangens van de romantici sloten zulke ideeën naadloos aan. Toen ontstond de typisch moderne verdeeldheid tussen wetenschappelijk reductie en behoefte aan zin en betekenis, alfa en bèta, rekenkunde en poëzie.

Het interessante van Hemsterhuis is dat hij die verdeeldheid niet wil vergroten, maar juist verkleinen. Op allerlei manieren zocht hij naar een synthese, een verzoening, bijvoorbeeld via de toen nog prille esthetica. In zijn Lettre sur la sculpture (1769) gebruikt hij een ‘experiment’ om vast te stellen wat schoonheid is en beroept hij zich daarbij uitdrukkelijk op de ‘wetten van de optica’. De uitkomst: we noemen iets mooi als het ons in een minimum aan tijd een maximum aan ideeën bezorgt. En dat lijkt weer op Kants latere definitie van het schone. En ook wanneer Hemsterhuis in zijn Lettre sur l’homme et ses rapports benadrukt dat onze kennis van de wereld mede afhankelijk is van de ‘relaties’ tussen onze zintuigen en de dingen, klinkt dat al bijna Kantiaans.

Nu is Kant niet identiek aan de moderne natuurwetenschap, maar een romanticus valt deze Aufklärer dus evenmin te noemen. Het gaat bij Hemsterhuis vooral om een dappere poging tot verzoening. Meestal leidt zijn wetenschappelijke interesse tot afzonderlijke (en in de nieuwe Oeuvres philosophiques niet opgenomen) verhandelingen over wiskunde, optica en astronomie. Wanneer er wèl een combinatie wordt beproefd, domineert gewoonlijk de poëzie, zoals in zijn wonderlijke theorie (opgenomen in de dialoog Alexis ou de l’âge d’or uit 1787) over de menselijke cultuur en de – elliptische – baan van de aarde om de zon. Wanneer de aarde de zon het dichtst naderde, bloeide de cultuur. Tot nu toe zouden daar vooral de Griekse Oudheid en de moderne tijd van hebben geprofiteerd. In de ene periode overheerste de ‘geest van moraal en sentiment’, in de andere de ‘geest van geometrie en symmetrie’. Wat zou de mensheid er niet op vooruitgaan als deze beide ‘geesten’ werden gecombineerd.

Hemsterhuis verpakte de verkondiging van zijn boodschap dus tegelijk in een demonstratie ervan. Dat lukte alleen dankzij de poëzie, die in dezelfde dialoog Alexis als een onmisbare bron van kennis wordt opgevoerd, inclusief de voorspelling van een toekomstig Gouden Tijdperk, iets wat diepe indruk maakte op de Duitse romanticus Novalis. Ook Hemsterhuis’ stijl zou je ‘poëtisch’ kunnen noemen. Bij hem geen strenge systematiek (systemen vond hij ‘des assemblages gratuites’), maar delicate ‘brieven’ en ‘dialogen’ vol beelden, metaforen, suggesties, allusies. Het clairobscur van zijn tijd regeert ook in zijn manier van schrijven.

Hij de moeder, zij de vader

De dialogen deden hun intrede nadat hij bevriend was geraakt met Adelheid Amalia prinses van Gallitzin, de echtgenote van de Russische ambassadeur in Den Haag, de stad waar Hemsterhuis als commies verbonden was aan de Raad van State. Zij werd zijn ‘Diotima’, hij haar ‘Socrates’. Hun gesprekken keerden terug in zijn geschriften. Van zijn eerste dialoog Sophyle ou de la philosophie (1778) noemde hij haar de ‘vader’, hij was slechts de ‘moeder’ die het kind had gebaard, dat wil zeggen: opgeschreven. Nadat de prinses in 1779 naar Münster was verhuisd, ontstond er tussen beiden een even levendige als omvangrijke correspondentie. En nog belangrijker: de prinses, door iedereen bewonderd om haar religieuze ernst en haar schoonheid, maakte Hemsterhuis beroemd in Duitsland. Toen beiden in 1785 Weimar bezochten, gingen de deuren van Goethe, Herder en Wieland gastvrij open, nadat de prinses Goethe enkele teksten van Hemsterhuis, gebonden in fraai leder, had toegestuurd – ze zijn nu terug te lezen in deze Oeuvres philosophiques.

Wat de nieuwe editie van Jacob van Sluis zo bijzonder maakt is dat alle teksten in hun oorspronkelijke versie worden afgedrukt, met daarnaast de Duitse vertaling uit de al genoemde Vermischte Schriften. Het mag volgens de editeur niet echt een historisch-kritische uitgave genoemd worden, maar met alle noten en varianten komt het er dicht bij in de buurt. Dat betekent wel dat men Hemsterhuis in het Frans (of Duits) zal moeten lezen. Dankzij ons geweldige onderwijssysteem kan bijna niemand dat meer in Nederland, terwijl – o ironie – de leesbaarheid van Hemsterhuis’ Frans nu toch echt vele malen groter is dan het achttiende-eeuwse Nederlands dat zijn schrijvende landgenoten destijds gebruikten.