De diepe Turkse staat

Soms is het fijn om platgetoeterd te worden op de Amsterdamsestraatweg in Utrecht. Blije Turken renden rond met vlaggen en vierden met elkaar de overwinning van hun voetbalelftal. En dat in een week die door het bloedbad in Ankara een dikke rouwrand had gekregen.

In mijn onderzoeksgroep zit een jonge postdoc uit Turkije, Ozan Ozavci, net terug van archief- en familiebezoek in Istanbul. Steeds meer van zijn collega’s vinden de weg naar het Westen. Er is hier van alles op loopbaanbeleid aan de universiteiten aan te merken, maar besluiten over promoties, toelating tot examens of archieven, of de keuze van een bepaald afstudeerthema zijn in ieder geval niet direct aan de grillen van politieke leiders uitgeleverd. Tragisch genoeg bevinden zich daardoor steeds meer buitengewoon hoog opgeleide, goed geïnformeerde en betrokken jonge Turkse wetenschappers in de Europese hoofdsteden. Dat is voor Europa niet tragisch, al die specifieke kennis, integendeel. Maar voor Turkije is het een kaalslag.

Intussen vergroten wij via dit soort wetenschappelijke bruggen dus wel onze kennis van de Turkse geschiedenis en cultuur, en dat is hard nodig. Zo kreeg ik aanvankelijk niet goed vat op het begrip ‘deep state’, dat de afgelopen maanden, en zeker de afgelopen dagen, weer steeds vaker opdook in de berichten over de war on terror in Turkije. Die ‘diepe staat’, is dat hetzelfde principe als de FSB die achter vermeende Tsjetsjeense aanslagen in Moskou zat, in 1999? Of zijn dat de leden van de Italiaanse veiligheidsdiensten die via Gladio-achtige constructies betrokken waren bij rechtse aanslagen in de jaren zeventig en tachtig van de 20e eeuw? Dat begint bijna naar complottisme te rieken, en is in ieder geval niet meer wetenschappelijk te bewijzen of te weerleggen. De Turkse ‘diepe staat’ moet je anders zien, zo legde mijn nog steeds zwaar aangeslagen collega uit. Daarvoor moet je in de geschiedenis van het Ottomaanse rijk duiken.

Over die geschiedenis zijn de laatste jaren allerlei originele werken verschenen, vooral over de ondergang van het Ottomaanse rijk. M. Sükrü Hanioglu beschrijft de uiteindelijk mislukte Ottomaanse verlichting. Karen Barkey vergelijkt de elasticiteit en flexibiliteit van de Ottomaanse heerschappij, ook de uiteindelijke ondergang, met de ontwikkeling van het Russische en Habsburgse Rijk. Caroline Finkel laat zien hoe die sultans en pasja’s hun veelkleurige rijk met symbolen van goddelijke heerschappij, regionale privileges en grof geweld bijeen hielden.

Wat na die lectuur vooral in het oog springt, zijn de eigenlijk best succesvolle pogingen van de achtereenvolgende Ottomaanse leiders om hun uitgestrekte, economisch gezien laag ontwikkelde rijk via moderne, centralistische westerse concepten van orde, gezag, bureaucratie en vooral politiegeweld zo lang bijeen te houden. Cultureel bereidden de hervormingsgezinde sultans aan het eind van de 19e eeuw al de uitvinding van de ‘Turksheid’ voor. De Turkse natie, dat was de zwijgende meerderheid van overwegend soennitisch-islamitische moslims (Erdogans huidige electorale basis!), die via hervormingen en bureaucratische trucs de rest van de etnische minderheden en religieuze groeperingen (Alevieten, christenen, joden, Arabieren, Armenen, Grieken, etc.) mochten overheersen. En ze konden daarbij gebruik maken van moderne politiemiddelen. De 34e sultan, Abdulhamid II, had er in de jaren ’90 van die eeuw speciaal Franse politie-experts voor naar Istanbul gehaald. Ze brachten hem de kneepjes bij van intelligence led policing en repressie. De daaruit voortvloeiende politie-expertise mocht in 1915 met de uitvoering van de Armeense uitroeiing haar gruwelijke effectiviteit bewijzen. Abdelhamids slechts gedeeltelijk gemoderniseerde rijk ging een paar jaar later ten onder. Maar die ‘diepe staat’ bleef na 1923 in het moderne Turkije bestaan.

Zit deze vrucht van westerse, moderne politiehervormingen, deze ‘diepe staat’ achter de aanslagen in Ankara? Allerlei demonstranten dachten deze week van wel. Ze hielden moedig spandoeken met ‘Erdogan moordenaar’ erop omhoog. Toch lijkt het er eerder op dat Erdogan in dezelfde valkuil is getrapt als zijn voor-voorganger, de sultan (overigens ook een bijnaam voor Erdogan in Turkije). De ‘diepe staat’ is in het geheel niet geïnteresseerd in het beveiligen van de eigen burgers, het voorkomen van aanslagen of het opsporen van daders. En is misschien ook helemaal niet in staat zelf aanslagen op touw te zetten. Ze is alleen nog maar bezig Erdogans nipte meerderheid vast te houden, bewijzen van corruptie in de doofpot te doen, en de machtsbasis van de leider te beschermen. In een situatie van internationaal gezichtsverlies (de Russische inval in Syrië), toenemend isolement (vervreemding van Europa), en onoverkomelijke interne verdeeldheid (zelfs de Gülen-beweging laat hem in de steek) grijpt Erdogan nu terug op zijn ‘speciale eenheden’, de laatsten die hem nog dienen. Niet om het land veiliger te maken, maar om zijn eigen sporen uit te wissen.

Erg leerzaam is de geschiedenis van het Ottomaanse rijk wel, opbeurend niet. De jonge generatie, minderheden en kritische intellectuelen zitten nog steeds klem. Maar er zijn lichtpuntjes: Turkse wetenschappers en voetballers.