‘Rolex’ uit de Bronstijd lag in greppel bij Hoogkarspel

Het is gedoopt tot vondst van het jaar: een verzameling bronzen voorwerpen, opgegraven in een oude greppel bij Hoogkarspel. Zo’n 3.000 jaar oud, en horend bij deftige kleding. Maar waarom ze ritueel in de grond zijn gestopt is een raadsel.

De vondst bestaat uit armbanden, naalden en drie fibulae (kledingspelden).  Foto Restauratieatelier Restaura te Haelen

De onverwachte vondst van een verzameling bronzen fibulae, armbanden en ringen bij Hoogkarspel (Noord-Holland) heeft archeoloog David Fontijn erg blij gemaakt. Want de ontdekking is gedaan bij een opgraving, en dat gebeurt bijna nooit. Meestal zijn dit toevalsvondsten, bij werkzaamheden of door metaaldetectoramateurs. „Nu weten we precies dat hier tussen 900 en 800 voor Christus iemand als het ware de Rolex die bij zijn Armanipak hoorde ritueel heeft gedeponeerd”, zegt Fontijn tevreden. Hij is hoofddocent archeologie aan de Universiteit Leiden.

De vondst wordt vandaag bekend gemaakt, in de aanloop naar de Nationale Archeologiedagen (16, 17 en 18 oktober). Daar wordt hij uitgeroepen tot Vondst van het Jaar.

Afgelopen januari zat Fontijn in een „beetje saaie vergadering”, toen hij over de vondst werd gebeld. Bij de aanleg van de nieuwe provinciale weg N23 waren archeologen van onderzoeksbureau Archol bezig een nederzetting uit de Bronstijd op te graven. Toen de kraanmachine grond had weggehaald in wat eens een greppel was geweest, had hij iets van metaal aangetikt. Meerdere bronzen voorwerpen bleken daar bewust bij elkaar gelegd, een zogeheten depot. En dus haalden ze Fontijn erbij, de expert op dit gebied die in verband met een Vici-project van onderzoeksfinancier NWO alle bronstijddeposities in Noordwest-Europa (circa 3000 tot 800 v.Chr.) onderzoekt.

„De vondst bestaat uit een brede armband waartussen een andere armband en twee rechthoekige plaatjes zijn gepropt. Verder een naald, een vuurstenen sikkel, een serie ringen die met metaal aan elkaar zijn geklonken en drie bijzondere fibulae: kledingspelden, twintig centimeter groot en enorm zwaar.”

Aan de hand van het type en de versieringen kan Fontijn de herkomst van de spelden afleiden: „Typisch Scandinavisch.” De brede armbanden zijn volgens hem mogelijk juist afkomstig uit zuidelijkere streken, tot in Noord-Frankrijk. „En de naald en de ringen zijn lokaal geproduceerd. Over de rechthoekige plaatjes zijn we nog niet zeker; ze zouden onderdeel van halskettingen geweest kunnen zijn.”

De nederzetting waarin de vondst is gedaan, lag in een gebied waar al vanaf 1.500 voor Christus mensen op kleine akkers hebben geboerd. „Ze woonden in een soort lintbebouwing op de zandruggetjes in een vrij nat gebied”, vertelt Sebastiaan Knippenberg, leider van de opgraving. Op een terrein van elf hectare groef zijn team een dertigtal huizen op uit de Midden-Bronstijd (1.500 tot 1.200 v. Chr.). De verzameling bronzen voorwerpen stamt uit de Late Bronstijd (1.200 tot 800 v. Chr.). „Uit die tijd hebben we wel aardewerk en greppels vol huisafval gevonden, maar geen huisplattegronden. Mogelijk woonden ze toen op een soort terpen. Het is wel duidelijk dat het in die tijd steeds natter werd en dat de bewoners aan het einde van de Bronstijd zijn weggetrokken.”

De spullen zijn begraven toen het gebied steeds natter werd

De herkomst van de fibulae en de armbanden maakt duidelijk dat de bewoners in West-Friesland in die tijd op de een of andere manier deel uitmaakten van een ‘internationaal’ netwerk. „Ze zijn rijk versierd, onder andere met een soort halve maantjes. Twee promovendi van me moesten daarom denken aan de hemelschijf van Nebra in Duitsland. Maar bij gebrek aan harde bewijzen gaat de interpretatie dat dit een soort kalenders zijn mij te ver”, zegt Fontijn. „Het gaat wel om bijzondere voorwerpen, waarmee duidelijk gepronkt is. Waarschijnlijk hoorden ze op deftige kleding. Overigens ontbreekt die kleding, want gezien de gunstige bewaaromstandigheden zou die ook gevonden zijn.”

Het blijft, zoals bij iedere depositie, de grote vraag wat mensen bezield heeft om kostbaarheden ritueel in de grond te stoppen of in het water te leggen. „In dit geval zijn de voorwerpen zorgvuldig in een rietkraag neergelegd in het talud aan het einde van een doodlopende sloot”, zegt Fontijn. „De vondst dateert uit de allerlaatste fase van de bewoning. Mogelijk zijn de voorwerpen neergelegd toen mensen door de steeds nattere omstandigheden de nederzetting verlieten.”