Verpieterde wijktuin zegt iets over buurt

Bewonersparticipatie is prima, maar die leuke bloembakken overal in de stad staan vol met verpieterd onkruid, schrijft Carolien Bijvoet.

Eind vorig jaar vroegen 25 Parijse architecten om hun Rotterdam te laten zien. Vanaf het moment dat ik ze opwachtte bezag ik de stad met hun ogen. In willekeurige volgorde: een lange rij toeristen bij de VVV in onze royale stationshal (rijen toeristen?!), een vorstelijke stadsentree voor een voettocht door het centrum (lopen?! centrum?!), overal leuke cafés en restaurants (Parijzenaren komen tafelen in Rotterdam?!). En dan natuurlijk de breed gepubliceerde smaakmakers: ontwaken aan de Maas met opkomende zon achter De Rotterdam, een bezoekje aan de Markthal, fietsen naar Van Nelle. Met de Parijzenaars heb ik me verbaasd over de onzichtbaarheid van de haven in onze stad, maar ook over de grandeur van het stadhuis, van de oude zalen in Erasmus University College.

Met de realisatie van de laatste paar grote stadsprojecten – nog ingezet voor de bouwcrisis – is Rotterdam ineens geheeld, heeft een hart. Na 7 jaar crisis begint een opleving te gloren. Hoe gaan we nu voort? De mantra van het moment is bewonersparticipatie. Ik vind dat mager en onrealistisch als enig uitgangspunt.

De stadsmakers, waaronder overheid, woningbouwcorporaties, bedrijven, bewoners en ontwerpers, hebben de afgelopen jaren de volgende ontwikkelingen doorgemaakt: van de maakbare samenleving met de overheid en corporaties als goden aan het stuur, naar de vrije markt met winstmaximalisatie (hit-and-run, en ‘starchitecten’ om zelf verzonnen vraag te bouwen), en van daar naar de kleinschalige initiatieven (bottum-up) zonder zicht op de lange termijn of op het algemeen stadsbelang.

Leven boven op elkaar in een stad maakt dat we ons tot elkaar hebben te verhouden. Dat is niet per se makkelijk. De ideale samenleving bestaat niet, maar het streven ernaar moet wel blijven bestaan, in een continu proces van confrontatie met andere, onbekende denkbeelden; van wrijving, uitwisseling en bijslijpen. De positieve bijkomstigheid hiervan is dat we ons kunnen blijven ontwikkelen, verrast en verrijkt worden met nieuwe ervaringen waar we soms helemaal niet op zaten te wachten. Het is inmiddels wel duidelijk dat deze continue stadsbewegingen zich niet laten vastleggen in cleane organisatieschema’s, maar beter zijn te omschrijven als een ‘rommelig’ proces, opgevangen maar ook (deels) gestuurd.

Op dit moment is er echter vooral verwarring: woningbouwcorporaties zijn sterk naar binnen gericht, om vanuit de kerntaken de financiën op orde te krijgen. De gemeente roept nog te vaak dat ‘alles los moet worden gelaten’, dat ‘de markt het moet doen’, en dat ‘ze’ ‘daar niet van zijn’. De nieuwe gemeentetoren zelf blijkt een welhaast onneembare vesting met slome liften en een ingewikkeld pasjessysteem; wij als ontwerpers van de stad proberen alle mogelijke leemtes door elkaar tegelijkertijd in te vullen, proberen zowel ontwikkelaar als probleemeigenaar als probleemoplosser te zijn. Stadsbewoners, tot slot, zijn het meest machtig in hun onvrede en boosheid omdat bestuurders bang zijn voor negatieve polls. Het moeilijke is dat deze betrokken emoties vaak snel weer wegebben: iets opstarten is veel makkelijker dan iets langdurig in stand houden.

Voor wat betreft de nu zo opgehemelde bewonersparticipatie is het goed om juist van de tijdelijkheid hiervan uit te gaan. Participatie kan tijdelijk zijn door verhuizing, of doordat iets anders belangrijker wordt. Afspraken over het tijdstip en de staat waarin de boel dan weer wordt achtergelaten helpen dan om elan te houden. Kortom: participeren oké, maar ook tijdens afronden en opruimen, en niet alleen bij de start. Oók bij de vrolijke, onschuldige initiatieven: de leuke zelf getimmerde bakken overal in de stad staan vooral vol met verpieterd onkruid.

Hoe kan deze bewonersparticipatie toch betekenis krijgen voor de stad? De gemeente Rotterdam presenteerde onlangs voor een architectenplatform een eerste aanzet voor De Nieuwe Kaart van Rotterdam. Ik werd enthousiast van de mogelijkheden van deze kaart, omdat daarop ook de staat van alle bewonersinitiatieven kan worden bijgehouden. Als dat goed gebeurt, kan dat een geweldig instrument zijn voor de stad. Immers: om de bewonersinitatieven (letterlijk) blijvend te laten floreren blijft de gemeente nodig als tuinman op de achtergrond: zaaiplan, oogstplan, en soms gewoon ook eens lekker snoeien.