‘Professor Party’ leerde Amsterdam dansen

Eddy De Clercq bracht house naar het 'provinciale Amsterdam'. "Het nachtleven was saai toen ik er kwam."
Feest in de Brakke Grond in 1979. Eddy De Clercq draaide hier regelmatig en organiseerde ook zelf feesten. Foto Hans van den Bogaard/HH

Het Amsterdamse nachtleven tussen 1977 en nu zou er anders uit gezien hebben zonder Eddy De Clercq. De diskjockey die de Belgische danscultuur naar Nederland bracht en een pionier werd op het gebied van disco en house, vindt zijn zestigste verjaardag een mooie gelegenheid om terug te kijken. De Clercq heeft Amsterdam sinds zijn komst nooit meer verlaten en woont op de Keizersgracht.

„Ik heb de Hollander leren dansen”, tekent hij met co-auteur Martijn Haas op in de biografie Laat De Nacht Nooit Eindigen, de memoires van een Vlaamse nachtvlinder die in Amsterdam een onontgonnen gebied trof op het gebied van de uitgaanscultuur.

Als organisator van feesten en clubavonden in de Brakke Grond, discotheek De Koer, de Pep Club in Paradiso en de door hem mede opgerichte RoXY heeft hij recht van spreken. „Professor Party” wordt hij ook wel genoemd, omdat Eddy De Clercq behalve voor de muziek altijd oog had voor de aankleding, de sfeer en een mooie mix van bezoekers op zijn feesten. De directeur danste er met het winkelmeisje; de muziek bood een vlucht uit het doorsneebestaan.

Provinciaals

„Amsterdam deed provinciaals aan toen ik hier voor het eerst kwam”, zegt de in Gent geboren muziekfanaat, die in Brussel deejay werd omdat hij op zijn zeventiende nog niet achter een bar mocht werken. „Het nachtleven hier was heel saai. Er waren weinig plaatsen om uit te gaan. Discotheken, zoals ik ze uit Parijs en Londen kende, waren er nog niet. Ik kom uit een horecafamilie, dus uitgaan was bekend terrein voor mij. Het zat in mijn genen om discofeesten te gaan organiseren.”

Eddy’s maandelijkse Big Disco Party’s in de Brakke Grond aan de Nes – toen nog een zalencomplex waar theatergroepen repeteerden en niet het Vlaams cultuurhuis zoals we het nu kennen – werden een enorm succes. Ze trokken een flamboyant publiek, veelal uit de homoscene en de kunstwereld. „Ik wilde een droomwereld creëren waarin elk detail klopte. Geen jassen in een hoek, maar een mooie garderobe. Geen plastic bekers maar echte glazen. Geen onderscheid in leeftijd of afkomst, maar een culturele versmelting van bevolkingsgroepen. Volgens mij is dat de ideale omgeving waarin mensen los kunnen gaan.”

In zijn discotheek De Koer aan de Nieuwezijds Voorburgwal (1980) en bij de Pep Club in Paradiso (vanaf 1983) bracht hij die uitgangspunten verder in de praktijk. De muziek in zijn platenkoffer werd breder georiënteerd: naast disco en soul deden ook funk, reggae, Afrikaans en new wave hun intrede. In De Koer speelden bands als Soviet Sex en The Raincoats; de Pep Club kreeg bezoek van The Platters, Theo en Thea en andere theatrale acts. „Muziek is altijd mijn eerste prioriteit geweest”, zegt De Clercq. „Het bepaalt de sfeer en daarom ontstaat er een bepaalde verbondenheid op de dansvloer. Het allerbelangrijkst is het contact tussen deejay en publiek.”

House

Housemuziek deed halverwege de jaren tachtig zijn intrede. Het was een logisch vervolg op disco, zegt Eddy De Clercq, die in New York al kennis had gemaakt met de deejaykunsten van de invloedrijke Larry Levan. Pas bij de opening van club RoXY in een voormalige bioscoop aan het Singel beleefde house in 1987 zijn Nederlandse doorbraak. Met mede-oprichters Peter Giele en Arjen Schrama streefde Eddy De Clercq naar een ‘hof der verbeelding’. „We wilden een legendarische club oprichten en dat is het inderdaad geworden. Ik heb er de meest wonderlijke dingen meegemaakt, zoals een concert van Grace Jones die op een rode loper van de boot waarmee ze was gekomen naar het pand wenste te lopen. De begindagen van de acid house waren een muzikale revolutie die sindsdien zijn weerga niet meer heeft gekend.”

In het begin waren houseplaten schaars. Eddy ging ze zelf maken, met Eric Cycle en Gert van Veen in het collectief House Of Venus dat met Dish and Tell internationaal succes boekte.

Op zijn soloplaat No Pills hekelde De Clercq het oprukkende gebruik van xtc. Voor een goed feest heb je geen chemische middelen nodig, vond hij. Als creatief directeur van de RoXY liep hij tegen struikelblokken aan: lang niet iedereen was blij met de prominente rol die housemuziek op het programma innam. Ook het deurbeleid liet te wensen over, vond hij. De maat was vol toen George Michael de toegang werd geweigerd. „Zo’n wereldster had er best op sportschoenen in gemogen.” In 1990 hield hij zijn actieve rol bij de RoXY voor gezien.

Afgebrand

Eddy was erbij toen het pand in juni 1999 afbrandde, op de dag van de begrafenis van Peter Giele. Het was beslist niet zoals Giele het gewild zou hebben, zegt De Clercq. De ondergang van de RoXY werd bespoedigd door de enorme hoeveelheid vuurwerk die binnen werd afgestoken. „Het was de raarste dag van mijn leven. Het einde van een tijdperk, maar het voelde niet alsof er een droom in rook op was gegaan. Mensen zullen altijd blijven dansen. Het uitgaansleven evolueert en verplaatst zich steeds naar andere plekken. Ik heb er nooit spijt van gehad dat ik naar Amsterdam ben gekomen. De vrijheid die je hier vindt, heb je nergens anders.”