Mankell heet uiteindelijk de dood welkom

Sneller, steeds sneller keert het woord ‘dood’ terug in zijn majesteitelijke laatste roman.

Een nieuwe roman die ook de laatste is. Een roman vol leven die zingt in de klankkleur van een zwanenzang: dat is Zweedse laarzen van de Zweedse schrijver Henning Mankell. Maandag 5 oktober, overleed hij op 67-jarige leeftijd; in januari 2014 was kanker bij hem geconstateerd.

In mei van 2104 verscheen Mankells autobiografische Drijfzand, gewijd aan zijn vitale strijd tegen de ziekte. Dat werd niet zijn laatste boek, al had het die roep. In juni 2015 kwam bij Leopard forläg zijn laatste roman uit. Geen deel in de befaamde Kurt-Wallanderreeks , maar een subtiele, peinzend en verstild geschreven literaire roman, Svenska Gummistövlar, vertaald als Zweedse laarzen. Het is een vervolg op het meer uitbundige Italiaanse schoenen uit 2006.

Met Zweedse laarzen sloot Mankell, weten we nu, zijn oeuvre af. Leest de lezer het boek daardoor anders, verrijkt met deze droeve gedachte? Was het ‘gewoon’ een nieuwe roman dan was de lezer geboeid door het verhaal van een oudere man, gescheiden ex-chirurg Fredrik Welin, die zich heeft teruggetrokken op een eiland in de Oostzee. Op een nacht brandt zijn huis af. Hij ontwaakt in een uitzinnige vuurzee en weet zich in veiligheid te brengen. Al snel wordt hij ervan verdacht zelf de brandstichter te zijn. Hij zoekt nieuwe liefde bij een jonge vrouw, journaliste Lisa Modin die voor de plaatselijke krant verslag doet. Hij hervindt de band met zijn in Parijs wonende dochter Louise. Ondertussen is Zweedse laarzen ook een whodunnit: wie is de aanstichter van deze en andere geheimzinnige branden op het eiland?

Er is een detail dat de achteloze lezer misschien terzijde laat liggen. Zelfs in de late oktoberkoude zeilt een in een zwart wetsuit gestoken windsurfer over de golven. Ook zijn surfplank is zwart, zelfs het zeil is donker: een zwarte engel des doods. De symboliek hiervan toont zich in besef van de dood van de auteur des te pregnanter. Ook het tot aan de grond toe afgebrande huis leidt tot overpeinzingen over vergankelijkheid: ‘Iemand die alles is kwijtgeraakt heeft niet veel tijd.’

Als Welin zich gaat afvragen hoe de brand kon ontstaan, komt hij tot de volgende overweging: ‘Het leek wel of het huis zichzélf in brand had gestoken. Alsof een huis van vermoeidheid, ouderdom of verveling zelfmoord kon plegen.’ Het huis werd gebouwd door Welins grootouders en met de brand sneuvelt een onwankelbaar geachte veronderstelling in zijn leven: ‘Dat het huis waarin ik woonde er had gestaan bij mijn geboorte, en dat het er nog zou staan op de dag dat ik er niet meer zou zijn.’ De hitte deed de tijd ‘wegsmelten’, aldus Welin.

De roman is pas drie bladzijde gevorderd en elke gebeurtenis en beschrijving is doortrokken van eindigheid. Steeds nadrukkelijker neemt het vanitasmotief bezit van Welins gedachten en het lijkt of Mankell in de loop van de roman steeds nadrukkelijker verwijzingen naar de dood aanbrengt. Welin ontdekt een nest dode zwaluwen op de zolder van het boothuis. Hij herinnert zich dat zijn grootvader eens een zwemmend ree vanuit zijn boot doodde. Ook schoenmaker Giaconelli, die de gespen ontwierp voor de Italiaanse schoenen, is ondertussen gestorven. Op pagina 53, opeens: ‘Dat de vis hier in de archipel zo goed als uitgestorven is, weet iedereen [...]. De Oostzee was bezig dood te gaan.’

Nu het woord ‘dood’ voor de eerste keer is gevallen, keert het in repeterende snelheid terug. Zinnen als ‘de dood is een onverbeterlijke anarchist’, ‘ik ben steeds meer omringd door dode mensen’, ‘er gaan te veel mensen dood’ en ‘de dood ademt in onze nek maar niemand weet wanneer hij toeslaat’ maken de nabijheid van de dood in Welins leven onontkoombaar. Op pagina’s 358, 366, 367 en verder noteer ik telkens ‘dood’. Mankell bedient zich van treffende oneliners over de dood, zoals: ‘Vroeger maakte de dood deel uit van het leven. Nu ligt die erbuiten [...] We leren in dit land niet meer om te sterven.’

Over het autobiografische Drijfzand heette het dat Mankell het boek schreef met de dood voor ogen. Hij had er haast mee, schreef het tussen januari en mei 2014. Zweedse laarzen heeft de toon, stijl, vorm en compositie van een weloverwogen literaire roman over een eenzame man wiens huis afbrandt. Dit boek telt zijn laatste woorden, het is zijn literaire testament. Daarom is de slotpassage zo aangrijpend. De maand augustus is aangebroken, weldra is het herfst. ‘Maar het donker beangstigde me niet meer’, schrijft Mankell. Melancholiek, mooi, majesteitelijk.