Leve de Staten-Generaal

Het land staat niet op zijn kop, maar het is vandaag 200 jaar geleden dat de Eerste en Tweede Kamer voor het eerst in Den Haag in een verenigde vergadering bijeen kwamen. Een moment om bij stil te staan. De verjaardag zou vanmiddag met een bijzondere vergadering van beide Kamers in de Ridderzaal worden herdacht. Een herdenking in stijl, gericht op de toekomst met speeches, muziek, zang en – de volksvertegenwoordiging gaat met haar tijd mee – breakdance.

Geen debat dus; iets dat bij uitstek in het parlement thuishoort. Daar leent de gelegenheid zich niet voor. Maar het is te hopen dat de warme woorden die in het kader van het jubileum aan het parlementaire stelsel worden gewijd, op een later moment wel zullen leiden tot discussie en kritische zelfreflectie. Een eerste aanzet hiertoe werd trouwens een jaar geleden al gegeven in de Eerste Kamer. Toen vroeg fractievoorzitter Hermans van de VVD om een staatscommissie die onder andere zou moeten kijken naar de werking van het tweekamerstelsel.

Sindsdien is het stil geworden. Het feit dat de fractievoorzitters in de Senaat, die door premier Rutte waren uitgenodigd met een concreet voorstel te komen, hier na een jaar nog niet in zijn geslaagd, is veelzeggend. Blijkbaar wordt de urgentie door anderen dan de VVD niet zo gevoeld. En dat is ook wel begrijpelijk, gezien de magere opbrengst van eerdere initiatieven om veranderingen aan te brengen in het parlementaire stelsel.

Vaak bleven de discussies steken in de constatering dat het niet zozeer ging om een structuurverandering, maar om een cultuurverandering. Dat laatste is niet via systeemwijzigingen tot stand te brengen. Zaken als dualisme, representativiteit en een minder hoge omloopsnelheid van Kamerleden zijn een kwestie van houding.

Hetzelfde geldt voor het niveau waarop in het parlement het debat wordt gevoerd. Er is tegenwoordig nog maar weinig wat niet gezegd mag worden. Wat niet betekent dat het ook gezegd moet worden. Tweede Kamervoorzitter Van Miltenburg beging een maand geleden een blunder toen zij de door PVV-leider Wilders gebruikte kwalificatie „nepparlement” ongestoord liet passeren. Haar collega uit de Eerste Kamer Broekers-Knol pakte het deze week in de Senaat beter aan, door PVV-fractievoorzitter Faber terecht te wijzen toen zij de term nepvolksvertegenwoordiger bezigde.

Zij liet daarmee blijken dat met de representatieve democratie niet gesold kan worden. Tegen aanvallen hierop, ook al zijn ze alleen maar verbaal, kan niet krachtig genoeg stelling worden genomen. De Nederlandse parlementaire democratie, waarvoor in 1815 de basis werd gelegd, is een kostbaar goed. Iets om zuinig op te zijn.