Ik, talentvol? Volstrekt niet

Steeds ging het fout in het leven van deze zelfdestructieve rockster. Heroïne, drank, conflicten. Maar daarnaast was er de purist die zijn inspiratiebronnen nooit verloochend heeft.

De 25-jarige Eric Clapton samen met zijn grootmoeder Rose, die hem opvoedde, 1970

Seksist, junkie, alcoholist, onbetrouwbaar, racistisch, onverantwoordelijk, destructief: Eric Clapton (1945) in een notendop. Geen makkelijk mens dus, die bovendien ook bijna zichzelf kapot had gemaakt. Bijna, want hij is inmiddels zeventig jaar en heeft het allemaal overleefd.

Hoe hij dat voor elkaar heeft gekregen, valt te lezen in Motherless Child, de ‘definitieve biografie’. Paul Scott heeft zijn onderwerp niet gesproken, maar die had het in een autobiografie grotendeels zelf ook al eerlijk opgeschreven. Clapton maakt zich geen illusies en als er één constante is in zijn leven, is het wel een minachting voor zichzelf en zijn omgeving. Want hoe haalt iemand wiens muzikale inspiratiebronnen grotendeels afkomstig zijn uit de zwarte muziek het in zijn hoofd om een dronken steunbetuiging aan Enoch Powell (een soort Britse Hans Janmaat) tot op heden te vergoelijken? Waarom maakt hij iedereen kapot die van hem lijkt te houden? En waarom gelooft hij zelf nog het allerminst in zijn talent?

Biograaf Paul Scott kent het antwoord: in de eerste dertig bladzijden lepelt hij enkele anekdotes op waarmee Claptons levenswandel meteen is verklaard. Om te beginnen: Clapton was een bastaardkind, werd opgevoed door zijn grootouders en moest zijn moeder behandelen als oudere zuster. Wanneer de kleine Eric begrijpt hoe de vork in de steel zit, vraagt hij of hij haar ‘mammie’ mag noemen. Na een pijnlijke stilte legt ze uit waarom dat geen goed idee is en zadelt haar zoon daarmee op met een identiteitscrisis die een leven lang zal duren.

Een tijdje later, wanneer het stuurloze joch na lezing van een nummer van Penthouse aan een klasgenootje vraagt: ‘zullen we neuken?’ breekt op school de pleuris uit. Vanaf dat moment is seks ‘verbonden met schaamte en straf’. En omdat hij als rockster schaamteloos en straffeloos zijn gang kan gaan, gaat het fout. Keer op keer. Scott meet het breed uit. Het gedoe met Pattie Boyd, de vrouw die hij van George Harrison afpikte om haar daarna onmiddellijk te bedriegen, neemt talrijke, meestal vrij saaie pagina’s in beslag. Alsof zijn landgoed een studentenhuis is, stapelen de soap-achtige verwikkelingen zich op. Die deed het met haar en bedroog zo zijn vrouw waarna die besloot wraak te nemen met die of die en dat allemaal gelardeerd met soepele overgangen, zoals: ‘Als George Harrison niet op het spirituele pad was, dan zat hij achter andere vrouwen aan.’

Clapton maakte ondertussen wel degelijk vrij veel muziek maar dat lijkt voor Scott van secundair belang. De nauwkeurigheid waarmee hij de relationele perikelen volgt, staat in geen verhouding tot de aandacht die hij heeft voor Claptons albums. En alles staat altijd in het teken van zijn persoonlijke ellende. De meeste mensen kennen 461 Ocean Boulevard als de plaat waarop Clapton zijn vorm vond, met dank aan J.J. Cale aan wie hij zijn ‘laidback’ geluid ontleende. Volgens Scott echter kon Clapton door alle drank en drugs nauwelijks nog spelen en staat de plaat dáárom vol ‘korte, simpele solo’s’. Jammer, want wanneer Scott besluit wél serieus over het opnameproces te schrijven, levert dat mooie verhalen op. Gek genoeg richt hij zich daarbij vooral op een paar platen uit de jaren tachtig die inmiddels behoorlijk gedateerd klinken.

Er staan nog wel meer geslaagde passages in het boek – zoals de indringende pagina’s waarin Clapton zich op het dieptepunt van zijn heroïneverslaving bevindt. Dan blijkt dat Scott wel degelijk goed kan schrijven. Ook wat Clapton zelf vertelt over zijn mythische gitaarsolo op ‘Crossroads’ is de moeite waard. Hij vindt er niks aan, snapt de grote bewondering niet: ‘het grootste deel van die solo wordt op de verkeerde tel gespeeld’. Want eigendunk heeft Clapton niet, wel talent voor bewonderen.

Nooit zal hij stiekem doen over waar hij zijn inspiratie vandaan heeft: naast J.J. Cale, noemt hij ook bluesgitaristen als Robert Johnson, Freddie King, Buddy Guy, en véle anderen als helden. Ook dat levert mooie passages op, wanneer Scott beschrijft wat bluesmuziek met de jonge Clapton doet, hoe hij zijn buitenstaanderschap uitvergroot en zich spiegelt aan zijn lievelingsmuzikanten.

Hij zou The Yardbirds opblazen, juist omdat ze succesvol werden. ‘For Your Love’, een niemendalletje, werd een hit en Clapton realiseerde zich ‘dat het het begin van het einde van zijn deelname aan de band zou zijn. Het ergste was dat de anderen duidelijk alles aan het nummer geweldig vonden. Voor de eeuwige purist Clapton was het een complete uitverkoop.’

In dat purisme zit een ander aspect van Claptons tragiek. Want hij houdt van luxe, van Ferrari’s, van Armani – en dan wordt al heel snel getwijfeld aan de authenticiteit van je bluesgevoel. Een houding die nogal gemakzuchtig is, en in het geval van Clapton ook niet terecht. Op bijvoorbeeld From the Cradle hoor je de bezieling, en die plaat klinkt alsof hij in West-Chicago opgenomen had kunnen zijn. Maar Scott noemt hem alleen terloops, als aanleiding voor alwéér een ruzie, ditmaal met de manager. En dan snel door naar de volgende ellendige episode (de dood van zoontje Conor wordt ook uitgebreid beschreven) of de verovering van een nieuwe vlam (Diana, Carla Bruni). Nee, je krijgt weinig zin in de muziek van Clapton bij het lezen van Motherless Child.