'Ik kies nu voor de natuur en mijn kroost'

Met zijn roman Vrouw sluit de Noorse succesauteur zijn indrukwekkende, zesdelige romanreeks Mijn strijd af. ‘Wat bij Proust een theebiscuit is die de verloren tijd van zijn leven oproept, is bij mij een vreeswekkende vader.’

‘Eigenlijk ben ik een anti-Proust, mijn werk is rauwer, ik schrijf en leef dichter op de huid van mijn tijd. Popmuziek, politiek, Breivik, zelfs de Holocaust, het past allemaal in de romanreeks Mijn strijd.’ Hij is een Noor maar hij woont in Zuid-Zweden: Karl Ove Knausgård (46).

In 2009 besloot hij een boek te schrijven waarvan de laatste regel zou luiden dat de ik-persoon, die ook Karl Ove Knausgård heet, ervan zou ‘genieten eindelijk geen schrijver meer te zijn.’ In 2011 kwam Min kamp. Sjette bok uit, deze week in Nederlandse vertaling verschenen onder de titel Vrouw. Dit zesde deel is een grandioos, indrukwekkend slotakkoord van een sensationele reeks romans.

Die fameuze slotregel kwam er, na twee jaar tijd en bijna vierduizend bladzijden. „Ik moest bij die zin eindigen”, zegt de schrijver, „dáár wilde ik heen. Aanvankelijk had ik niet het idee zo’n groots werk te beginnen laat staan te voltooien, ik had die slotzin en wat eerste hoofdstukken. Meer niet. Maar halverwege het eerste deel van Mijn strijd ontdekte ik dat schrijven onuitputtelijk moet zijn.”

Het eerste deel, ‘Vader’, begint met de dood van uw vader. Het is alsof u met zijn dood de romancyclus aanjaagt.

„Dat klopt. Maar de eerste aanzet was verkeerd. Ik schreef over zijn dood maar ik kwam erachter dat ik over hém moest schrijven. Dat is een wezenlijk verschil. Het ging niet om de vertelling van een vader die overlijdt, maar het moest gaan over de man die doodging. Wie hij was, hoe hij zich gedroeg jegens zijn twee zonen, mijn oudere broer Yngve en ik. Mijn vader dronk. Had onberedeneerde uitbarstingen van woede. Daar was ik bang voor. Wat bij Proust een theebiscuit is die de verloren tijd van zijn leven oproept, is bij mij een vreeswekkende vader. Mijn boeken moesten een bijbels epos worden van ongekende omvang.”

De laatste bladzijden lezen als een bevrijding en loutering. Bent u werkelijk geen schrijver meer?

„Ik ben niet meer de schrijver die ik toen was; de schrijver met zijn angsten en obsessies heb ik overwonnen. Ik ben een ander geworden, een schrijver van korte observaties. Er zijn ondertussen alweer drie boeken verschenen, een met essays over Amerika en twee boeken over de natuur, vogels, mijn kinderen. Seizoensimpressies zou je kunnen zeggen, weergegeven in korte stukken, vaak niet langer dan een bladzijde.”

De afspraak met Karl Ove Knausgård is vastgesteld op een dinsdagochtend om half tien voor het station van Ystad aan de uiterste zuidkust van Zweden, niet ver van zijn woonplaats Glemmingebro, op het platteland verderop. Exact om half tien komt Knausgård over de spoorwegovergang aangelopen, rokend. Een dag eerder is collega-schrijver en thrillerauteur Henning Mankell overleden, wiens Kurt Wallander-reeks zich in Ystad afspeelt. Bij wijze van eerbetoon besluiten we in de lobby van Hotel Continental het gesprek te voeren. Dit hotel vervult een belangrijke rol in het leven van de detective. Maar we worden geweigerd: het hotel is geen café. Op naar een koffiebar aan het marktplein zegt Knausgård: „Dit is de diepe provincie.”

De Knausgård zoals die naar voren komt uit zijn boeken is verlegen, soms zelfs wat schichtig. Deze man niet. Hij praat graag en met verve over zijn werk, legt uit wat hem drijft en hoe Mijn strijd tot stand kwam. Om vier uur in de ochtend beginnen, om acht uur kinderen naar school brengen en dan weer schrijven. Soms meer dan vijftien bladzijden per dag in razende vaart. Hij spreekt een zorgvuldig, zangrijk Engels.

U schreef de reeks in Malmö. Is het voor u van belang in Zweden te wonen?

„Ja, allereerst is mijn vrouw Linda Boström een Zweedse en besloten we naar Zweden te verhuizen. Ik had Mijn strijd nooit in Noorwegen kunnen schrijven. In Zweden vond ik de noodzakelijke afstand. In Noorwegen ben ik een Zweed en in Zweden een Noor. Dat bevalt me. Toneelschrijver Ibsen was ook een Noor die zijn land ontvluchtte en in Italië zijn belangrijkste werk schreef. Mijn boeken gaan over identiteit, of eigenlijk over het gegeven dat identiteit niet vaststaat. Ik ben nu een ander dan toen ik mijn boeken schreef. En als dertienjarige was ik een heel andere jongen dan de man van nu. Toch heb ik nog steeds dezelfde naam. Dat is goedbeschouwd vreemd.”

De broer van uw vader, uw oom Gunnar, heeft een rechtszaak tegen u aangespannen wegens smaad en het bezoedelen van de naam Knausgård. Uw vader zou helemaal geen alcoholist zijn. In ‘Vrouw’ toont u paniek over de dreigementen van de oom. Vanwaar die angst?

„Dit is het ergste wat me kan overkomen, het is alsof ik Macbeth ben die een moord heeft gepleegd en daarvoor moet boeten. Mijn oom eiste zelfs een publicatieverbod. Ik heb er nooit bij stilgestaan dat mijn boeken die toch romans zijn, dus fictie, als echt gelezen worden, alsof ze de waarheid vertellen. Maar dat is niet zo. Het is mijn waarheid. Ik wilde alles zo oprecht, volledig en authentiek mogelijk beschrijven en daardoor het leven volop een plaats geven in de literatuur.

„Ik heb boeken altijd beschouwd als een veilige plek, als kind trok ik me terug in de wereld van boekbladzijden. Dat geldt ook voor popmuziek. Maar het schrijven zelf, de daad van het schrijven, biedt allesbehalve veiligheid. Daar ben ik nog altijd bang voor. En nu kwam dus de woedende reactie van mijn oom, geheel onverwacht. Ik wil met mijn boeken niemand pijn doen. Aan de andere kant wil ik wel de scheiding tussen literatuur en leven teniet doen. Al behoort Mijn strijd tot het domein van fictie, ik raakte volledig in paniek toen mijn oom van alles wat ik schreef beweerde dat het onwaar was. Ik stuitte steeds meer op de paradox dat waarheid en literatuur op gespannen voet staan. Het was alsof de grond onder mij werd weggeslagen.”

‘Vrouw’ telt honderden bladzijden essayistiek over een gedicht van Paul Celan, over Hitler en over Anders Breivik die op het eiland Utøya een bloedbad aanrichtte. Paste dat allemaal in uw visie van de reeks?

„In het huis van mijn familie trof ik een exemplaar aan van Hitlers Mein Kampf. Dan schrik je en je vraagt je af: hoe komt mijn grootmoeder eraan en waarom heeft ze het nooit weggegooid? Ik wilde meer van Hitler weten en ontdekte bijvoorbeeld dat hij humor bezat. Van zijn redevoeringen kennen we alleen het geschreeuw en de massahysterie die hij veroorzaakte, maar Hitler begon heel stil, een tijdlang zei hij niets voor de microfoon, en toch raakte de menigte in zijn ban.

„Nadat Breivik zijn verschrikkelijke daad had volbracht zat ik te huilen voor de televisie. We hebben nu vier kinderen, daar werden 77 mensen vermoord, vooral kinderen. Breivik vernietigde levens. Dat raakte me zo diep dat ik het kwaad dat hij vertegenwoordigt een plaats in mijn boek wilde geven.

„Het gedicht van Paul Celan gaat over de vernietigingskampen, waar zijn ouders werden vermoord. Hij kon er alleen maar over schrijven in taal die verbrokkeld was, alsof met het nazisme ook de taal was vernietigd. Noorwegen is mijn thuisland. Bij het verleden dat ik beschrijf horen ook grote, aangrijpende gebeurtenissen als de Tweede Wereldoorlog, een boek als Mein Kampf en Breivik. Het behoort tot de Noorse geschiedenis, en dus ook mijn geschiedenis.”

Uw vrouw Linda en uw kinderen spelen een cruciale rol in ‘Vrouw’. Hoe denkt u dat uw kinderen later uw werk zullen lezen?

„Ik denk dat ze er vooral liefde in herkennen, dat geldt ook voor Linda. Zij leed erg aan depressies, die beschrijf ik. Toen ik met de kinderen Linda in een psychiatrische inrichting opzocht, leek het of ze dat als een spannend uitstapje beleefden. Dat ontroerde me. Zo sterk zijn kinderen dus.

„Wat ik vooral wil bereiken met mijn boeken is dat het verleden zo sterk aanwezig is, dat het als het heden wordt. Laat vroeger het nu worden, dat is de opdracht die ik me stelde. Het voordeel van het onuitputtelijke schrijven dat ik beoefen is dat ik het verleden in elk detail aanwezig kan laten zijn, het gaat mij om de presence, de dwingende en onontkoombare aanwezigheid van de vroegere tijd. Dat is enerverend.

„Laatst las ik voor uit deel 5 (Schrijver) dat zich afspeelt in Bergen, de saaiste en vreselijkste jaren uit mijn leven. Maar toen ik voorlas, werd de Bergense tijd zomaar ineens wervelend en sensationeel. Dat is te danken aan de scheppende kracht van de taal, waardoor ik herinneringen kan oproepen die vergeten leken. Het grootste geschenk dat ik als schrijver kreeg was dat de zinnen stroomden, vloeiden. Ik schrijf snel, het ging als vanzelf. Ik had de waarheid over mijn vader en over mijn leven vastgegrepen.”

U bent alweer drie boeken verder. Is de strijd voorbij?

„De titel Min kamp koos ik omdat ik streed voor mijn schrijverschap. Ik moest elke bladzijde winnen op de nog altijd voortlevende onzekerheid die mijn vader in mij veroorzaakte. Op een veeleisend gezinsleven met kinderen. Eigenlijk op alles wat het leven van je vereist en dat je weghoudt van het schrijven. Die strijd is voorbij. Waar wij wonen op het land, weet niemand iets van schrijvers, van literatuur. Daar heerst de natuur. En het is de natuur die ik nu tot onderwerp kies, de natuur en mijn kinderen. Ik werk aan een kleine nieuwe reeks met seizoensgebonden titels, In de herfst, In de winter, en ja, dan volgen lente en zomer. Ik leef dicht bij de Zweedse natuur.”