Het drama achter horlogerie Delmonte van Nico Baum

NRC richt een virtueel monument op van de weggebombardeerde Hoogstraat. Vandaag het treurige verhaal over het gezin van juwelier ‘Nico’ Baum.

Een eigen juwelierszaak. Een droom die in 1938 werkelijkheid wordt voor de Tsjechoslowaaks-Hongaarse Miksa ‘Nico’ Baum (28). De joodse juwelier neemt horlogerie Delmonte op de Hoogstraat 285 over. Twee jaar later verandert het levensgeluk van de jonge vader in een aaneenschakeling van drama’s.

Miksa Baum is niet zomaar een joodse vluchteling maar iemand met een plan én geld, zo blijkt uit onderzoek van het Stadsarchief Rotterdam. Dat beschikt over de ‘vreemdelingenkaart’ van de juwelier. Op het vergeelde karton staat alle informatie die de vreemdelingenpolitie over hem verzamelde bij aankomst in Rotterdam. Daaronder de verklaring van juwelier Delmonte dat Baum zijn juwelierszaak wil overnemen.

Op 2 september 1938 is de overname een feit en vestigen de juwelier en zijn echtgenote Yolan Fried (27) zich boven de zaak, met hun twee maanden oude dochter Elvira en zoontje George (4). Het ouderpaar moet in de wolken zijn geweest. De twee trouwden zes jaar eerder, nadat ze via allerlei omzwervingen – hij kwam uit Hongarije, zij uit Roemenië – in Antwerpen terecht waren gekomen. Met hun eigen zaak konden ze eindelijk beginnen aan hun nieuwe leven.

Het geluk wordt in mei 1940 wreed verstoord door het bombardement. Nico en Yolan verliezen hun juwelierszaak maar zitten niet bij de pakken neer. Ze beginnen opnieuw aan de Nieuwe Binnenweg 412. Hun verblijf is van korte duur want het gezin moet onderduiken. Als Nico in 1942 probeert uit te wijken naar Engeland, wordt hij verraden, gevangengenomen en later gefusilleerd. Zijn zoon en dochtertje worden in januari 1943 gedeporteerd naar Westerbork. Elvira overlijdt daar, George later in Auschwitz. Hun moeder blijft gespaard doordat ze zit ondergedoken.

Ondanks het verlies van haar echtgenoot en kinderen peinst Yolan Fried er niet over Nederland te verlaten. De Roemeense vraagt het Nederlands staatsburgerschap aan. „Verzoekster voelt zich in ons land thuis en wenst hier te blijven. Zij drijft voor eigen rekening een winkel in gouden en zilveren voorwerpen en vindt daarin een bestaan. Gedurende de oorlogsjaren was zij ondergedoken. Niettemin heeft zij zich bij voorkomende gelegenheden voor het verzet verdienstelijk gemaakt”, staat in de toelichting bij haar naturalisatieverzoek. Dit wordt in 1950 toegekend.

De namen van haar twee kinderen verschijnen met die van 684 andere joodse oorlogsslachtoffertjes in 2013 op het Joods Kindermonument bij de Stieltjesstraat. Yolan overlijdt in 1994 in Rotterdam op 82-jarige leeftijd.