Het doodzwijgen van oom Wim

Er bestaan amper familieverhalen waarin het hele perspectief op de Tweede Wereldoorlog, van goed naar fout, te vinden is binnen één gezin. Deze historicus schreef zo’n geschiedenis over het Amsterdamse gezin waar hij zelf uit komt.

We weten, dankzij verscheidene familiegeschiedenissen, wat een streng protestants Opperwezen kan aanrichten in een gezin. Over de dwingelandij van meneer pastoor in het echtelijke bed zijn we ook aardig geïnformeerd. En ook de armoede als slagschaduw over generaties van een familie kennen we van nabij, dankzij Het Pauperparadijs van Suzanna Jansen. De ideologische machinerie van God en de standen, zo blijkt, reikte tot ver over de drempel. Maar de lange arm van Hitler, wat weten we daar eigenlijk van? Dat andere dat de natie in haar ban had: de oorlog, wat leren gezinsgeschiedenissen daarover?

Zwart Nederland heeft zijn bekentenisverhalen van kinderen die de ouderlijke rancune en het isolement van zich af schrijven. Joods Nederland heeft het standaardboek Ons Kamp over het zwijgen en herstel van de overgebleven familie van schrijfster Marja Vuijsje . Maar verder is het relatief stil rondom de oorlog. Familieverhalen waarin het hele perspectief op de oorlog, van goed via grijs naar fout, te vinden is binnen één gezin, zijn er niet of nauwelijks.

Er is nu een boek dat wel zo’n volledig relaas geeft, hoewel het over een allesbehalve huis-, tuin- en keukengezin gaat. Het vertelt over een Amsterdamse familie in de oorlog, waarin – geheel in tegenstelling met de gemiddelde houding in het vaderland – bijna niemand in de grondverf staat, maar vrijwel iedereen kleur bekent. Vader is er overtuigd zwart, moeder kleurt vanzelf een beetje mee, net als de oudste zus en een broertje dat verplicht in een donkere korte broek loopt tijdens bijeenkomsten. Drie zonen daarentegen zijn gewoon goed of meer dan dat. En een zus (‘Zus’ genoemd) is tegen vader en Hitler. Daar moet wel drama van komen.

Levensgrote schaduw

En dat is wat de lezer krijgt van kleinzoon Luuc Kooijmans, zoon van het jongste, vaderlijk fout gepredestineerde jongetje uit het gezin (een feit dat de auteur pas meedeelt aan het eind van het boek, waar hij zichzelf buiten houdt, om zijn ooms en tantes en opa en oma in hun opportunisme, wanhoop en zekerheden tot hun recht te laten komen). De suggestie van een levensgrote schaduw over de familie draagt zijn boek en dicteerde de werkelijkheid. Als jongen zag de auteur bij de grootouders een foto van een jongeman aan de muur. Het was, vertelden ze hem, ‘oom Wim’. Er stond een kruisje bij, en er werd, afgedwongen door een familiebreed zelf opgelegd regime van vanzelfsprekende zwijgzaamheid, nooit over gesproken. Totdat de auteur, inmiddels gelauwerd historicus van standaardboeken over de zeventiende-eeuwse wetenschappelijke vaderlandse elite, het aandurfde het verhaal op te rakelen en uit te zoeken. De nog levende familieleden werkten mee – hoewel erover praten moeilijk ging – en stelden dagboeken, fotoalbums en correspondentie ter beschikking.

Alles draaide om één gebeurtenis, waar het boek naartoe en vanaf is geschreven, en alles draaide om de vader (zoals bij zoveel familiehistories een familiegodheid). De gebeurtenis, die het gezin achteraf bond in gepolariseerde eendracht en verdeelde in tweedracht, is snel verteld. Zoon Wim spioneerde voor het verzet, en omdat hij zijn foute vader, die van niets wist, niet wilde kwetsen met de voorkennis van zijn schanddaden tegen de Führer, dook hij niet onder toen er onraad dreigde; hij werd opgepakt, zat ruim een jaar vast en kwam, twintig jaar jong, voor het vuurpeloton.

De omgang met deze verschrikkelijke waarheid is de crux van het verhaal. Met vader voorop acteert het gezin alsof het niet weet dat Wim ieder moment de doodstraf kan krijgen. Vader schrijft zalvende brieven en is gelukkig als Wim de indruk wekt ‘bekeerd’ te zijn tot Mussert – zo’n vent , verleid door verkeerde vrienden, zullen de Duitsers vast sparen, gelooft hij schijnbaar rotsvast. Moeder vraagt Wim of hij ‘zijn levertraan wel inneemt’, de rest van de kinderen schrijft incidenteel – aangemoedigd door vader om Wim niet emotioneel te belasten, want daar draagt vader zelf zorg voor – over koetjes en kalfjes en hobby’s.

Vooral de bevoogdende brieven van de vader in het aangezicht van de dood van de zoon zijn huiveringwekkend. Een celgenoot van Wim schrijft aan diens goede zus of vader alsjeblieft wil ophouden over ‘de van God gezonden Führer van alle Germanen’ te schrijven, want – ‘Wim is na zo’n brief kapot, huilt en al die grappen meer.’ Het helpt niet.

Dat een zoon als Duits krijgsgevangene in een Oekraïens kamp is opgeborgen, doet vader niet twijfelen, evenmin zet de scherpe kritiek van Zus hem aan het denken. Het enige dat effect heeft op zijn halsstarrige karakter is de executie. Hij die als voorzitter van het Opvoedersgilde zichzelf heel wat achtte binnen de Beweging, zegt zijn NSB-lidmaatschap op en bedankt voor zijn baan als bruine onderwijsinspecteur. Schijnbaar komt ook de foute zus tot inkeer. Ze stopt bij De Arbeidsdienst – een nazi-opvoedorganisatie voor werkende jongeren – om te trouwen met een fanatieke tweederangs NSB-ideoloog. Achteraf maakte ze er een protestdaad van. De dood van Wim heeft alleen voor de jonge kinderen een prettig nevengevolg, nu vader zijn zwarte hemd en NSB-vlag opgeborgen heeft, worden ze op straat en school niet meer met de nek aangekeken.

Kleiner drama

Vanzelfsprekend is het boek niet afgelopen met ’40-’45. Een tweede – kleiner – drama volgt als vader en zwager als landverradersvolk geïnterneerd worden. Maar er echt van leren doet vader niet. Wanneer zoon Wim in 1950 postuum een lintje krijgt, ‘meent vader het wel in ontvangst te kunnen menen’. Zijn kinderen moeten hem uitleggen dat dat ongepast is.

En zo moddert de oorlog maar door in het gezin, waar twee goede zonen zo ver mogelijk van huis op een vreemd continent verblijven, en Zus binnenshuis als een oude vrijster op haar post blijft, in verzet tegen de verbitterde vader. Goed en fout conserveerde er de oorlog, men herdacht op gepaste momenten de gevallene en zweeg. Van loutering, van verwerking leert het onthutsende boek van Kooijmans, was niet zoveel te merken. Het leek verdomme Nederland wel.