Een gruwel om snel te vergeten

Voor alle onderdelen van gruwelijkheden die mensen elkaar aandoen is aandacht, op één onderdeel na: het genot en plezier dat de daders beleven. Hoe is hun lach of grijns te verklaren tijdens het moorden?

De Noorse massamoordenaar Anders Behring Breivik lacht tijdens de rechtszitting in Oslo op 21 juni 2012 Foto Reuters/Berit Roald/NTB Scanpix/Pool

In de geschiedenis wemelt het van de gruweldaden, maar het plezier dat de daders eraan moeten hebben beleefd, krijgt zelden veel aandacht. Hun ideologische verblinding, hun kwaadaardige dan wel banale inborst, hun falend geweten, hun gebrek aan empathie daarentegen wordt uitputtend besproken. Economische, culturele en sociale motieven worden in kaart gebracht. Alleen voor het genoegen dat het moorden, martelen en verkrachten kunnen verschaffen, lijkt geen plaats te zijn.

Misschien willen we het ook niet weten, omdat we het ons amper kunnen voorstellen – tenzij vermomd als entertainment in thrillers, videogames of slasher movies. Wanneer het opeens werkelijk wordt en zich onverhuld, ja met trots presenteert, zoals in de video’s van IS, reageren we geschokt en vol ongeloof.

Zelfs de nazi’s, die van hun jodenhaat geen geheim maakten, verborgen indertijd de genocide. Wat niet wil zeggen dat niemand ervan wist. De frontsoldaten waren vaak wel degelijk op de hoogte, ze deden er soms zelf aan mee, maakten er foto’s van of schreven erover naar huis. Op sommige van die (niet voor de publiciteit bestemde) foto’s zie je de daders lachen terwijl ze hun bloedige arbeid verrichten.

Dat lachen was allesbehalve een uitzondering, aldus de Duitse literatuurwetenschapper Klaus Theweleit, die er een opmerkelijk boek over schreef. Waarom deze lol tijdens het martelen en moorden? De Franse filosoof Bergson betoogde ooit dat de lach met onverschilligheid gepaard gaat. In Theweleits Das Lachen der Täter: Breivik u.a. Psychogramm der Tötungslust blijkt er veel meer aan de hand te zijn.

Theweleit dankt zijn bekendheid aan Männerphantasien (1977), een even omvangrijke als onorthodoxe studie over de literatuur van de Duitse vrijkorpsstrijders van vlak na de Eerste Wereldoorlog. Het is het wonderlijkste boek over deze materie dat ik ken en had grote invloed op Jonathan Littell, schrijver van de bijzondere roman De welwillenden (2008) waarin een moorddadige ex-SD’er zijn hart uitstort.

Pseudo-Ik

Theweleit komt met een soort psychoanalytisch portret van de Duitse (proto)fascist, niet zozeer geïnspireerd door Freud en diens oedipuscomplex als wel door Deleuze en Guattari en hun L’Anti-Oedipe (1972). De fascist zou een onvolgroeid Ik hebben, dat hij uit angst voor fysieke en psychische desintegratie kunstmatig aanvult via het geloof in leger, staat, volk en/of ras. Geweld is daarbij onontbeerlijk, want pas door een al dan niet vermeende tegenstander te doden komt het kunstmatige nieuwe pseudo-Ik tot stand. Een fascist moordt dus niet uit sadisme of ideologie, maar om zichzelf te redden. En zo denkt hij tegelijk de wereld te redden.

In Das Lachen der Täter wordt deze analyse uitgebreid tot een hele reeks van ideologische killers. De nadruk ligt nu op de lach die verschijnt wanneer zij hun meestal weerloze vijanden vernietigen en zo hun eigen psychofysieke evenwicht of, zoals Theweleit het met een beroep op de neurobiologie noemt, hun ontbrekende ‘homeostase’ alsnog tot stand brengen. Een lach van triomf en van superioriteit, die geen ruimte laat voor empathie of compassie. De lach is de ‘Jubel des Terrors zur eigenen Körperstabilisirung’, schrijft Theweleit met een karakteristieke frase die je maar het best onvertaald kunt laten.

Tot de lachende moordenaars die hij bespreekt behoren onder anderen de Jihadisten van IS, de Hutu’s die in Rwanda de Tutsi’s met kapmessen te lijf gingen, de nationalisten die in 1965 bijna een miljoen Indonesische ‘communisten’ om zeep hielpen, maar ook de Duitse krijgsgevangenen die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Engeland werden afgeluisterd en zich onomwonden over hun wandaden uitlieten (zie Neitzel en Welzer, Soldaten. Protokolle vom Kämpfen, Töten und Sterben, besproken in Boeken 4.5.2012) komen aan bod, evenals sommige meisjesgangs in Los Angeles en de ontspoorde bewakers van de Abu Ghraib gevangenis die zich samen hun gefolterde slachtoffers lachend op de foto zetten. Aan het begin van zijn relaas noemt Theweleit zelfs Henry Fonda die in Sergio Leone’s film Once Upon a Time in the West glimlachend een kind doodschiet.

Zou hier telkens dezelfde diagnose gesteld moeten worden? Dat is niet erg aannemelijk; daarvoor lopen de daders en hun omstandigheden te zeer uiteen. In veel gevallen ontbreekt bovendien de directe kennis, nodig om tot een zinvolle interpretatie te komen. Veelal beroept Theweleit zich op journalistieke reportages, maar ook romans, toneelstukken en documentaires (bijvoorbeeld The Act of Killing van Joshua Oppenheimer, waarin Indonesische communistendoders ongegeneerd hun vroegere moorden naspelen) worden probleemloos als bron opgevoerd.

Nog het meeste materiaal is voorhanden over de Noor Anders Behring Breivik, die in 2011 op het eiland Utøya 77 sociaal-democratische jongeren doodschoot – lachend, zoals sommige overlevenden hebben verklaard. Op hem en zijn op internet gepubliceerde manifest gaat Theweleit uitvoerig in en dat levert de meest overtuigende passages van het boek op. Breivik past ook het beste in het profiel, met zijn intense haat tegen het ‘cultuurmarxistische feminisme’ en zijn cultus van de Tempeliersorde, die bij hem de afwezigheid van een alle verantwoording op zich nemende staat moet compenseren.

Martiale pantser

Het anti-feminisme van Breivik (dat frappante overeenkomsten vertoont met de kijk op de vrouw van IS) verrast Theweleit niet. Ook in Männerphantasien speelde bij het soldateske geweld altijd een panische angst mee voor het vrouwelijke, dat het zelfgemaakte martiale pantser dreigt te ondermijnen. Achter de psychofysieke gebreken waarop het fascisme het antwoord zou zijn, ontwaart Theweleit steeds de verkrampte sekseverhoudingen van de patriarchale samenleving. Daar zoekt hij dan ook de wortel van het kwaad.

Of een matriarchale maatschappij beter zou zijn, blijft intussen de vraag. Ook bij Theweleits eigenzinnige psychoanalytische diagnoses zijn vraagtekens te zetten, terwijl het opvalt dat alle moordenaars min of meer tot het rechtse kamp kunnen worden gerekend, een korte passage over de Cambodjaanse killing fields en een terloopse vermelding van het ‘stalinisme’ daargelaten. Zouden linkse moordenaars niet lachen?

Misschien zijn deze reserves (die ook voor Theweleits andere werk opgaan) er debet aan dat zijn naam in serieuze studies als Compartimenten van vernietiging (2014) van Abram de Swaan of Met alle geweld (2008) van Hans Achterhuis niet of nauwelijks wordt genoemd. Theweleit, die zich op zeker moment nieuwsgierig afvraagt hoe een verkrachter tot zijn erectie komt en concludeert dat er van seksualiteit geen sprake kan zijn maar alleen van moordlust, maakt het inderdaad bont met zijn weinig academische impertinentie en zijn monomanie. Hij bijt zich vast in een bizar detail als het lachen van de daders, hij overdrijft en is partijdig, maar belicht wél een kant van de gruwel waar de meeste mensen liever niet te lang bij stilstaan. Terwijl het toch voor de hand ligt om te veronderstellen dat diezelfde gruwel zo vaak voorkomt omdat hij niet voor iedereen iets afschuwelijks betekent.