De pepernoot, kaasschaaf en yoghurtuitdruiper ontleed

51 schrijvers kozen elk een object dat ze typerend achten voor Nederland, de hoeveelheid calvinistische zuinigheid die uit de stukjes oprijst is enorm.

Krijg je een objectief beeld van Nederland als je het portretteert aan de hand van objecten? Het is een nogal woordspelerige suggestie, maar het lijkt te kloppen in het geval van Nederland. Een objectief zelfportret in 51 voorwerpen. De titel zegt het al: 51 schrijvers kozen elk een object dat ze typerend achten, en de hoeveelheid calvinistische zuinigheid die met de nodige zelfverachting uit de stukjes oprijst, is enorm. De koektrommel, spaarzegel, de kaasschaaf, het spionnetje, de „yoghurtuitdruiper” (het klinkt als een Bulgaarse geslachtsziekte maar is een simpele houder waarin een fles urenlang kon hangen, om niets verloren te laten gaan: „een hoogtepunt wat betreft ontwerp en functionaliteit” aldus Alexander Rinnooy Kan). Het zijn allemaal objecten tegen de spilzucht, en „Nederlandser dan Nederlands”. De zwarte kousen staan erin, korfbal natuurlijk en niet te vergeten het pepermuntje. „Kerksnoep”, aldus Beatrice de Graaf, en in de kerk is het een tijdseenheid: drie mentosjes is één gereformeerde preek.

De smakeloosheid van ons land wordt ook op vele manieren gevierd: geitenwollen sokken, de kroket, de stamper waarmee van elke maaltijd een eentonig geheel wordt gemaakt: „die Fransen kunnen opzooien met hun zogenaamd zoveel verfijndere gerechten.” Het is niet het enige voorwerp dat met uitdagende zelfverzekerdheid wordt verdedigd. Gerry van der List schrijft over de tuinkabouter als slachtoffer van de terreur van linkse grappenmakers. Want de politie doet niks als het ‘Kabouter Bevrijdings Front’ de voorwerpen uit de burgermanstuin ontvreemdt. Ten onrechte, want juist de nazi’s zagen in de Gartenzwerg een symbool van kleinburgerlijkheid.

Maar er staat een andere generatie op, en die kiest andere voorwerpen. Renee Kelder voert de xtc-pil op als „de oplossing voor calvinistisch Nederland”. Het ding is „wit, klein en je beste vriend”, vooral omdat de stugge Nederlander er wat socialer van wordt. En wat „typisch Nederlands” is, gaat wat vaker gepaard met een botsing der culturen. Ad van Liempt verbaast zich een beetje dat we nooit meer over de „Zilvervloot” zingen wanneer een grote wedstrijd wordt gewonnen, de morele bezwaren beginnen blijkbaar toch op te duiken. En de feestelijke pepernoot wordt door Quinsy Gario op grondige wijze ontleed: „Ons wordt geleerd om niet met volle mond te praten. Daarom is het eten van pepernoten voor velen een gelukkig moment om te zwijgen over erfenissen van smaak.”

Een van de recentste objecten die ons land typeren, werd gesignaleerd door de vader van Mano Bouzamour, die toch al meende „te midden van barbaren” terecht gekomen te zijn. „Zo rond de millenniumwisseling stond er volgens mijn vader ‘een verschrikkelijk verschijnsel’ op de stoep. Hij noemde het ‘de wagen van Satan’ en vervolgde steevast: ‘Ze zijn zich er niet van bewust dat ze zo de vurige valleien van de hel in denderen.’ Op het dak van het ding stond: www.bierfietsverhuur.nl.”