Welkom in de daklozenlaan van Dublin

De economie groeit met 6,2 procent, maar het wemelt er van de daklozen.

Ondanks de groei worden steeds meer Ieren hun huis uitgezet en belanden ze op straat. Foto EPS

In de portiek van een Starbucks in het centrum van Dublin zit een jonge vrouw in witte donsjas te huilen. Haar schouders schokken, haar vingers trillen als ze een waxinelichtje probeert aan te steken. Een dakloze man, groezelig mutsje op, vieze slaapzak om zijn schouders, omhelst haar.

Het tafereel doet niemand stoppen, daklozen zijn een vertrouwd beeld geworden in de Ierse hoofdstad. Bij de aanblik van een man op krukken en een vrouw met volle boodschappenwagen onder de gevel van het GPO, het hoofdpostkantoor op O’Connell Street, zegt een Ier tegen zijn vrienden, als ware hij een toeristengids: „Dit is de daklozenlaan.”

Maar wat je op straat ziet, is het topje van de ijsberg. De noodopvang zit vol: 5.000 Ieren, onder wie 1.500 kinderen, slapen ’s nachts in daklozencentra, de meesten in Dublin. Daar bovenop zijn nog degenen in bed and breakfasts, hostels en hotels, een stijging van 76 procent sinds het begin van het jaar. Op kosten van de gemeente, die ook niet meer weet waar de bedden vandaan moeten komen.

En dan is er de woningnood. Tijdens de jaren van economische bloei, toen Ierland gold als Keltische Tijger, bouwde het er lustig op los. Sinds de crisis in 2009 uitbrak, ligt de bouw ver onder het benodigde van 20.000 nieuwe huizen per jaar. De druk op de woningmarkt neemt toe, huren stijgen, lonen niet – 38.000 huishoudens hebben al twee jaar of meer hun hypotheek niet betaald. Huisuitzettingen volgen. Het aantal mensen dat wacht op een sociale woning is in twee jaar met 45 procent gestegen naar 130.000. De Ierse economie mag dit jaar met een verwachte 6,2 procent groeien, de crisis is niet voorbij.

De portieken zijn daarvan de zichtbaarste signalen. Tot vijf jaar geleden waren bedelaars vooral Roma. Vervolgens Polen, Litouwers, Slowaken, die in de bouw hadden gewerkt. Nu de Ieren zelf.

De vrouw in de witte donsjas voor de Starbucks heet Mary Connor. Ze bidt. In de portiek is een dag eerder haar neef William gestorven, vertelt ze. De tweede dakloze die in evenzoveel weken is overleden.

„De taoiseach [premier] moet de noodtoestand uitroepen”, meent Anthony Flynn. Hij runt Inner City Helping Homeless, een vrijwilligersorganisatie die iedere werkdag sandwiches, soep, en thee en koffie uitdeelt in het centrum. „Intussen hebben we 150 vaste klanten, een stijging van 43 procent in drie maanden.”

Het zijn mannen, steeds vaker vrouwen, die geen nachtopvang hebben. Omdat die al vol zit en ze daar liever niet heen willen, sinds de druk op de opvang zo groot is dat ‘nat’ en ‘droog’, verslaafd en niet-verslaafd niet meer worden gescheiden.

Zoals Paulo Never Durães, een 42-jarige Portugees. Hij laat zijn vaste plek zien: het portiek van een leegstaande videogamewinkel. Daarnaast In de naastgelegen deur, van een reisbureau, slaapt een zeventigjarige Ier, vertelt hij. „In de opvang is er altijd ruzie. Ik voel me er niet veilig.” Hij is drie weken dakloos, na maanden op de bank bij een vriend te hebben geslapen. Daar belandde hij na ontslag. De vriend had genoeg van hem. Het kartonnen bekertje bevat kleine euromunten, niet genoeg voor een ticket naar Portugal.

Om half elf ’s avonds verzamelen twintig vrijwilligers van Inner City Helping Homeless zich in een kantoor volgestouwd met vuilniszakken kleding, dozen vol chocolade. Iemand heeft losse zakjes gevuld met schoon ondergoed, deodorant, tandenborstel en tandpasta. In groepjes van minimaal vier man lopen ze een vaste route door het centrum.

De groep vrijwilligers weet precies onder welke gevel en in welk portiek er iemand kan liggen, wie ham of kaas op de boterham wil. Nieuwe gezichten noteren ze. Warme koffie en thee worden gretig aangenomen.

„Het begint koud te worden”, zegt een vrouw van een jaar of dertig. Met haar kittige laarsjes, skinny jeans en winterjas van een duur merk ziet ze er op het eerste oog niet uit als een dakloze. De man naast haar wel, met volle baard en dikke rouwranden onder zijn nagels. Vrijwilliger Stephen Travers: „Tussen een dak en de straat zit soms maar één salarisstrookje.”

De regering is zich bewust van het probleem. Dat kan niet anders. Bijna letterlijk op haar drempel stierf in december dakloze Jonathan Corrie. Voor de blauwe deur, die zo vaak was gebruikt als achtergrond voor interviews, staat zijn foto. Er worden prefabhuizen neergezet, extra huizen bijgebouwd. Daklozenorganisaties vrezen dat de winter eerder arriveert dan de bedden.