Voor het ja-kamp is het referendum knap lastig

Nederland stemt over een EU-verdrag. Rutte mag het morgen in Brussel uitleggen.

Jan Roos, voorman van GeenPeil, viert in Den Haag de 150.000ste handtekening voor het referendu. Het comite is halverwege. Foto Remko de Waal/ANP

Het leek gisteren wel alsof iedereen blij was voor GeenPeil. Nadat de Kiesraad had meegedeeld dat het initiatief voor een raadgevend referendum genoeg steun had gehaald (427.939 geldige handtekeningen) twitterde Geert Wilders „super”. Mark Rutte vond het „waanzinnig knap”. De PvdA was er trots op „dat de PvdA mede-initiatiefnemer van dit nieuwe democratische instrument is”. Kees Verhoeven, Kamerlid van referendumpartij D66, riep op de volksraadpleging snel te houden.

Het referendum over het associatieverdrag tussen de EU en Oekraïne moet binnen een half jaar plaatsvinden. Als minstens 30 procent van het electoraat stemt, is de uitslag geldig. Dan is het aan het kabinet te beslissen hoe zwaar het die uitslag laat wegen.

Voor de voorstanders van het associatieverdrag is dit referendum toch lastig. Rutte heeft morgen tijdens de top in Brussel weer wat uit te leggen. Een deel van het verdrag kan op 1 januari ook zonder Nederlands ja voorlopig van kracht worden, maar voor andere delen is Nederlandse ratificatie wel nodig.

Om het electoraat te overtuigen, moeten de voorstanders snel campagne gaan voeren, zegt Jan Goeijenbier. Hij leidde de overheidscampagne bij het referendum over de Europese Grondwet in 2005 en heeft lessen getrokken uit de nederlaag. Voor zijn campagne was 62 procent van de Nederlanders vóór de Grondwet, erna was 62 procent tegen, vertelt Goeijenbier. „We begonnen tien weken voor het referendum. Dat was te laat. De tegenstanders – de SP en de kleine christelijke partijen – voerden al veel langer fel campagne.”

Een campagne voor het associatieverdrag moet een simpele, eerlijke boodschap vertellen die ook de nadelen van het verdrag benoemt, zegt Goeijenbier. Belangrijk is de kiezer niet te overladen met informatie, zoals in 2005. „Toen stuurden we pakketten ter grootte van een zaterdag-NRC.”

Ook belangrijk: de voorstanders moeten leiderschap tonen. In 2005 ging dat mis, vertelt Goeijenbier. „Er waren 128 Kamerleden vóór de Grondwet, maar ze waren bijna allemaal stil, uit angst voor kritiek van de kiezers. Het kabinet handelde ook krampachtig. Gerrit Zalm verdomde het bijvoorbeeld foldertjes uit te delen, daar hield hij niet van. Zo wekte hij de indruk dat hij niet voor het kabinetsstandpunt wilde staan.” Enorm onhandig, vindt Goeijenbier: „Daardoor overheerste de superstaat-boodschap van de tegenstanders het debat.”

Tien jaar later ziet D66’er Kees Verhoeven het kabinet zó weer dezelfde fout maken als in 2005. „Als ik het kabinet zie, lijkt het met het referendum in zijn maag te zitten”, zegt hij. „En als je dan campagne gaat voeren, is het natuurlijk totaal niet overtuigend.”