Column

Verhit debat

Moet je hem negeren of juist vol in de aanval gaan? Het eeuwige dilemma voor de politieke tegenstanders van Geert Wilders in de Tweede Kamer. De afgelopen weken lieten ze hem nogal zijn gang gaan waardoor hij de show kon stelen met zijn ‘verzet’ tegen de asielzoekerscentra. Het kwam deze politici op veel kritiek te staan.

In dat licht bezien was het niet zo vreemd dat zij gisteren in de Tweede Kamer min of meer één front tegen hem vormden. Verstandig? Bij kleine onderwerpen niet, maar de vluchtelingenkwestie leende zich wel voor een principieel debat. Tevoren ging het gerucht dat Wilders met een bijzondere kunstgreep zou komen. We merkten algauw wat bedoeld werd: het voorlezen van brieven van verontruste burgers. Hun ‘dochters en vrouwen’ waren door asielzoekers ‘onzedelijk betast’ (Wilders kan dat heerlijk vet uitspreken), bespuugd en voor hoer uitgescholden.

Retorisch gezien was het geen slechte zet, maar Wilders ging er te lang mee door, zodat het op de lachspieren begon te werken. Hoe kon Wilders nog langer volhouden dat het louter economische vluchtelingen waren? Welnee, ze wilden onze welvaart niet, ze wilden onze seks. Zou Wilders daar zelf een beetje te weinig van krijgen? Je zou het haast geloven als je de haat hoort waarmee hij zijn vondst (of van Martin Bosma?) ‘testosteronbommen’ uitspreekt.

Wat hem ook niet hielp was dat de namen van de briefschrijvers anoniem moesten blijven. Het bracht mij op de stoute gedachte dat Bosma en Sietse Fritsma misschien ook zelf hun epistolaire talenten hadden aangesproken.

Je kon merken dat Wilders’ tegenstanders zich goed op het debat hadden voorbereid. Ze namen hem steeds vanuit een andere hoek onder vuur. De een (Roemer) wees hem erop dat hij de oorlogen had gesteund die nu de vluchtelingenstromen veroorzaakten, de ander (Buma) pestte hem met het feit dat hij de asielzoekerscentra zelf had mogelijk gemaakt door bepaalde wetgeving te steunen.

Ook Jesse Klaver attaqueerde hem onbeschroomd, alsof hij nooit iets anders had gedaan. Hij hield hem voor dat de briefschrijvers incidenten beschreven, te vergelijken met de incidenten bij asielzoekerscentra.

Wilders kreeg het benauwder dan ik me ooit van hem kon herinneren. Hij werd steeds kwaaier en zijn tongetje begon weer eens het luchtruim te zoeken. Pechtold zag het ook: „Niet zo’n makkelijke dag, hè. Beetje handen in de zakken, niemand een vraag stellen.” Hij wees hem erop dat hij als gedoger van kabinet Rutte I ruim 16.000 asielzoekers had binnengelaten. „Toen u aan de knoppen draaide, heeft u er niets tegen gedaan. U belooft, maar levert nooit.”

De enige die nog overdreven ontzag voor Wilders toonde, was de Kamervoorzitter, Anouchka van Miltenburg. Zij wees Buma terecht toen hij tegen Wilders zei: „Er is maar één nepfractie en dat bent u.” „U heeft zoiets eerder wel laten passeren”, merkte Buma terecht op, refererend aan Wilders recente scheldwoord ‘nepparlement’.

Later, toen Wilders Pechtold uitschold voor ‘grote nul’, greep Van Miltenburg wel in, maar pas nadat Halbe Zijlstra haar daartoe had aangespoord. De harde lijn ligt haar niet. „Scheldwoorden hoeven we niet te doen”, zei ze tegen Wilders. Dat is geen taal waarmee je hem koest krijgt.

Kortom, een keihard, soms verhit debat, waarin boosheid en woede allerminst nep leken.