Nee, ze zijn er nog lang niet uit samen

Frankrijk en Nederland kopen samen de portretten van Maerten Soolmans en Oopjen Coppit. Maar zo simpel als dat klinkt, is het dus niet.

foto ANP / Thinkstock / bewerking nrc

En toen werd het stil rond de Rembrandts. Het is alweer twee weken geleden dat er een ontknoping kwam van de Nederlands-Franse soap om de huwelijksportretten van Maerten Soolmans en Oopjen Coppit. Premier Rutte en president Hollande spraken af dat de twee landen de werken samen kopen. En de ministers van Cultuur bereikten overeenstemming met de verkoper, baron Éric de Rothschild.

Maar daarmee is de zaak nog niet klaar. Er zijn allerlei kwesties die nog geregeld moeten worden. Momenteel onderhandelen de twee regeringen, het Rijksmuseum en het Louvre over onder andere de volgende onderwerpen:

Van wie zijn de portretten?

Twee weken geleden leek het duidelijk: de portretten vormen samen één kunstwerk, dat voor de helft van Nederland en voor de helft van Frankrijk wordt. Dat zou de uitkomst zijn van de onderhandelingen die voorafgingen aan het akkoord. Maar rond is het nog niet. In een debat met de Eerste Kamer zei minister Bussemaker (PvdA, Cultuur) dat gezamenlijke aankoop „het streven” is, en dat de juridische kant nog moet worden uitgewerkt.

Eerder was het uitgangspunt dat elk land één schilderij zou kopen, met de afspraak dat ze altijd bij elkaar zouden blijven. De Franse minister van Cultuur Fleur Pellerin sprak nog expliciet in deze termen toen zij eind vorige maand aan de huidige eigenaar, Éric de Rothschild, liet weten dat de Franse centrale bank 80 miljoen euro beschikbaar had gemaakt.

Het schilderij dat in Franse handen zou komen zou tot ‘voorwerp van groot nationaal belang’ verklaard worden. In Frankrijk is de aanschaf van dergelijke kunstschatten voor 90 procent aftrekbaar van de belasting. Maar kunnen de schilderijen samen, als zij één kunstwerk worden, tegelijkertijd een voorwerp van groot nationaal belang zijn én in gedeeld eigendom zijn met een ander land?

Wie gaat ze restaureren?

Volgens Petria Noble, hoofd van het restauratieatelier voor schilderijen bij het Rijksmuseum, zijn de twee Rembrandts „in goede staat”. Maar restauratie in de toekomst is wel gewenst. „De vernis is inmiddels zeer mat geworden en er zit veel stof aan het oppervlak. Die moet verwijderd worden.”

De portretten zijn voor het laatst in 1956 in het Rijksmuseum gerestaureerd, voor een belangrijke Rembrandt-tentoonstelling in dat jaar. Ze zijn toen bedoekt. Aan de achterkant werden steundoeken geplakt tegen het originele linnen, met een mengsel van hars en was. Er moet onderzoek gedaan worden of die steundoeken nog voldoende stabiel zijn. Destijds werd ook de meeste oude vernis verwijderd en vervangen, zegt Noble.

Minister Bussemaker zei in de Eerste Kamer dat de twee schilderijen „op dezelfde manier gerestaureerd moeten worden in plaats van het ene schilderij volgens de ene methode en het andere schilderij volgens een andere methode”. Maar wie dit gaat doen, is nog onderwerp van discussie tussen Nederland en Frankrijk.

Het Rijksmuseum heeft een eigen restauratieatelier met vaste restaurateurs en onderzoekers. In het Louvre wordt gewerkt met freelance restaurateurs. Voor belangrijke restauraties, zoals die van de Rembrandt-schilderijen Bathseba met de brief van koning David en De maaltijd in Emmaüs, worden internationale adviescommissies samengesteld. Noble was betrokken bij die twee restauraties in het Louvre.

In Frankrijk wordt terughoudender gerestaureerd dan in Nederland. „Dat kun je bijvoorbeeld zien aan de Mona Lisa”, zegt Carol Pottasch, senior restaurator bij het Mauritshuis. „Soms wordt uit voorzichtigheid niet gerestaureerd, want bij het weghalen van vernis kan het ook mis gaan. En deels is het een kwestie van smaak. In Frankrijk en Duitsland vinden ze het niet zo erg als het vernis vergeeld is. Een ‘gallery tone’ wordt dat genoemd. In Nederland is het gebruikelijk om vernis te vervangen als het sterk verkleurd is, maar daar is hier ook heel wat discussie over geweest.”

En wie gaat ze vervoeren?

In Nederland zijn er drie marktleiders op het gebied van kunsttransport: Crown Fine Art, Hizkia Van Kralingen en Kortmann Art Packers & Shippers (APS). De grote Nederlandse musea gunnen het transport van grote tentoonstellingen om en om aan deze bedrijven. Crown vervoerde de schilderijen voor de tentoonstelling ‘Munch: Van Gogh’ voor het Van Gogh Museum. Hizkia Van Kralingen deed het transport van ‘De late Rembrandt’ voor het Rijksmuseum en de Rothko-tentoonstelling in het Gemeentemuseum Den Haag. Kortmann nam ‘De oase van Matisse’ van het Stedelijk Museum Amsterdam voor zijn rekening.

Crown lijkt een streepje voor te hebben, omdat het de Nachtwacht twee keer heeft verhuisd in verband met de verbouwing van het Rijksmuseum. Maar Hiskia Van Kralingen is ook geliefd bij het Rijksmuseum, omdat het een speciale kist heeft ontwikkeld voor het vervoer van schilderijen, de veelgeprezen Turtle, die in vrijwel alle Nederlandse musea en in veel buitenlandse musea wordt gebruikt.

De opdracht voor de twee Rembrandts kan ook naar een Frans bedrijf gaan. André Chenue en LP Art zijn daar de marktleiders. Het Louvre huurt hen vaak in.

De kosten voor één transport van de twee Rembrandts, exclusief verzekeringen en beveiliging, worden door mensen uit de branche geschat op 20.000 tot 30.000 euro.

Er wordt overigens nog nagedacht over een „beperkte toer van de schilderijen door Nederland”, heeft Bussemaker gezegd. Maar of de Fransen daarmee instemmen, is niet zeker.

Worden ze verzekerd en door wie?

Het Rijksmuseum verzekert zijn collectie niet. Als een kunstwerk wordt gestolen of door brand verwoest, is het toch onvervangbaar. Bovendien behoren de werken tot de rijkscollectie: het is niet de bedoeling om ze ooit weer te verkopen. Er is dus geen financiële dekking nodig tegen waardevermindering door schade.

Als kunstwerken worden uitgeleend aan andere musea is het wel gebruikelijk om ze te verzekeren, zegt Marcel Schreuder, makelaar in kunstverzekeringen bij Aon. „Dan gaat de verzekering in op het moment dat het schilderij van de spijker gehaald wordt en eindigt die als het weer is teruggehangen.”

Aangenomen dat de twee Rembrandts als één kunstwerk in gezamenlijk eigendom komen, zal er altijd een helft van het kunstwerk in bruikleen zijn, bij het Rijks dan wel bij het Louvre. Moet de uitgeleende helft dan altijd verzekerd worden? In Nederland bestaat een indemniteitsregeling, waarbij de staat een deel van het risico voor kunstwerken in bruikleen op zich neemt. Die regeling is echter niet van toepassing als Nederland en Frankrijk samen eigenaar zijn.

Als elk land één schilderij in eigendom krijgt, zou de regeling kunnen worden aangesproken wanneer het Franse schilderij naar Nederland komt. Dan nog geldt dat er maximaal 30 procent van de waarde kan worden afgedekt. De rest moet commercieel verzekerd worden.

„De landen moeten er samen uitkomen hoe ze dit doen”, zegt Schreuder. „Je moet je altijd afvragen wat de relevantie van een verzekering is. Het kan nuttig zijn om werken te verzekeren als je bij beschadiging de restauratie niet uit eigen middelen kunt betalen. In dat geval zouden de twee musea samen een verzekering kunnen afsluiten. Ze kunnen er ook voor kiezen om alleen het transport te verzekeren.”

De premie wordt dan uitgedrukt in promillages van de waarde, afhankelijk van de onderhandeling met verzekeraars, en omstandigheden als het traject en de manier van vervoeren. „Een globale inschatting is 0,1 tot 0,15 promille”, zegt Schreuder. De twee landen kunnen ook beslissen om de schilderijen niet te verzekeren en zelf garant te staan voor eventuele schade.