‘Nederland was doorslaggevend voor mijn werk’

In 2014 was Rem Koolhaas de belangrijkste cultuurexporteur van Nederland. Zijn Nederlanderschap noemt hij fundamenteel voor zijn werk en houding.

‘Kom gauw binnen”, zegt Rem Koolhaas als hij op een septemberochtend om half negen ’s ochtends de deur opent van de vergaderkamer van het Ambassade Hotel in Amsterdam. „Nee, ik geef je geen hand”, zegt hij vriendelijk. „Niet uit hostiliteit of zo, maar ik ben snipverkouden.”

Koolhaas (1944) heeft zojuist een bespreking met een medewerker van zijn architectenbureau Office for Metropolitan Architecture (OMA) afgerond. Veel tijd om te praten over hoe hij de succesvolste Nederlandse cultuurexporteur is geworden, heeft hij niet. Over een uur vertrekt hij naar Schiphol om een vliegtuig naar de Verenigde Staten te nemen.

In 2014, het meetjaar voor de toekenning van de eerste prijs voor de NRC Cultuur Top 100, was de Architectuurbiënnale in Venetië het belangrijkste exportproduct van Koolhaas. Als directeur van de 15de Architectuurbiënnale maakte hij er, onder de naam Fundamentals, een buitengewoon ambitieuze onderneming van.

Ook door de titel wekte ‘Fundamentals’ vooraf de indruk dat de biënnale een poging was om de moderne architectuur eindelijk eens een begin van een theorie te geven. Maar dat bleek toch niet het geval. Wat was dan wel de bedoeling?

„De biënnale was een momentopname van de drastische veranderingen die de architectuur doormaakt als gevolg van onder meer digitale technieken. Het was aan de ene kant een verkenning van de toekomst van de architectuur, maar ook een terugblik op oude kennis die wordt afgestoten.

„Het sterkste van de biënnale vond ik dat bijna alle landen zijn ingegaan op mijn verzoek om terug te blikken op de 20ste eeuw. Iedereen dacht vooraf: dat weten we nu wel, die 20ste eeuw. Maar de inzendingen lieten een ongelooflijk getourmenteerde en bewogen geschiedenis zien, vol tegenstrijdigheden. Er zaten veel verrassingen tussen. Zoals de expositie van Chili over betonsysteembouw, met als middelpunt de eerste betonplaat die een door de Sovjet-Unie geschonken Plattenbaufabriek had gefabriceerd en waar de later vermoorde president Allende zijn handtekening in had gezet. En dat Noord- en Zuid-Korea hebben samengewerkt in hun inzending, vind ik zelfs ontroerend.”

Een paar jaar nadat het Office for Metropolitan Architecture (OMA) was opgericht werd u bekend door ‘Delirious New York’. Hoe belangrijk is dit boek uit 1978 geweest voor uw loopbaan?

„Van essentieel belang. Delirious New York gaf me een reputatie waardoor OMA van start kon gaan. Tegelijkertijd bracht dit ons in een lastig parket. Want ondanks de reputatie hadden we nog nooit iets gebouwd. We werden in het diepe gegooid en het was verdrinken of zwemmen. Ik denk dat je nu wel kunt zeggen dat we hebben gezwommen.”

De beginjaren van OMA waren ook de tijd van zoeken en tasten.

„Zeker. Ik schaamde me in de jaren tachtig voor de hoge mate waarin we toen nog steeds afhankelijk waren van de taal van het modernisme. De essentie van moderniteit is tenslotte verandering en dan is het dwaas om honderd jaar vast te houden aan één en dezelfde taal. We hebben minstens tien jaar geworsteld om daaraan te ontkomen.

„In de eighties moesten we niet alleen leren bouwen maar wilden we ook een nieuw vocabulaire ontwikkelen. Deze ingewikkelde positie verklaart misschien ook waarom we toen soms als incompetente detailleerders werden gezien. Nu is het misschien tijd om vast te stellen dat we toen niet zozeer slecht als wel anders detailleerden. In de fabriek in Milaan die we onlangs hebben verbouwd tot het cultuurcentrum van de Prada Foundation kun je goed zien wat we eigenlijk wilden en willen.”

Welke rol heeft het Nederlanderschap gespeeld in uw werk?

„Als ik geen Nederlander was geweest, was ik natuurlijk nooit met mijn ouders in Indonesië terechtgekomen. Nederland is min of meer calvinistisch, en Indonesië is vloeiend, batikachtig, liaanachtig. Samen met mijn ervaringen tijdens de sixties in Nederland heeft dat een doorslaggevend effect gehad op mijn houding en werk.

Slideshow: de gebouwen van Koolhaas

„Toen ik in de sixties mijn loopbaan begon als journalist bij de Haagse Post, zat ik in een kamer naast die van Armando, gescheiden door een glazen wand. Daardoor heb ik veel meegekregen van de Nulbeweging waarvan Armando een van de oprichters was. De Nulkunst is een van de invloeden die ervoor zorgden dat we bij OMA de dingen anders wilden doen. We wilden een architectuur die raw was – ik weet er even geen Nederlands woord voor. Een architectuur ook waarin meer gebruik werd gemaakt van artistieke effecten.

„Maar bovenal hebben de Nederlandse invloeden ervoor gezorgd dat OMA heel goed met ongedefinieerde en vormeloze systemen en instituten kan omgaan. In de eighties hebben we ook informaliteit en improvisatie in het maken van architectuur geïntroduceerd. Dat was toen ongekend. Iedereen kon meedoen. We hebben soms mensen van de straat geplukt.”

Na de internationale doorbraak van OMA begin jaren negentig, met spraakmakende ontwerpen als de Kunsthal in Rotterdam, is het bureau uitgegroeid tot de belangrijkste cultuurexporteur van Nederland. Hoe is dat gelukt?

„Doorslaggevend is AMO geweest, de onderzoekspoot van OMA die we in 1999 hebben opgericht. We merkten toen dat de architectuur door onder meer wijzigingen in de klantenkring drastisch aan het veranderen was. AMO stelde ons in staat onze eigen agenda en polemieken te bepalen en ook richting te geven aan onze eigen inzichten. Of nee, inzichten klinkt te pretentieus: onze eigen intuïties. Hierdoor konden we ons bijvoorbeeld bezighouden met preservation, een ongelooflijk interessant onderwerp.”

Over behoud van oude gebouwen gesproken: een van uw eerste grotere gebouwen, het Nederlands Danstheater in Den Haag uit 1987, gaat nu al worden gesloopt. Daar heeft u zich tot nu toe nog helemaal niet over uitgelaten.

„Ja, ik was nieuwsgierig wat er ging gebeuren en of iemand anders zich erover zou uitspreken. Bovendien erken ik dat verandering een belangrijk kenmerk is van deze tijd. Sloop hoort erbij, ja. Het enige dat ik betreur is dat het dak van de zaal verdwijnt. Daarin ontdekten we voor het eerst dat we door een arrangement met de constructie onze architectuur een andere kant konden opsturen.”

U hebt veel jongere Nederlandse architecten beïnvloed. Als ‘Superdutch’ werd hun werk omstreeks 2000 wereldberoemd. Waaruit bestaat uw invloed?

„Met invloed houd ik me niet bezig, ik heb geen stamboom van architecten in mijn hoofd. Superdutch was goede branding en heeft veel Nederlandse architecten werk en aandacht opgeleverd. Daar heb ik geen enkel probleem mee. Maar ik heb me nooit betrokken gevoeld bij Superdutch. Ik vind nationaliteit als kwaliteit of als groepering onzinnig op het moment dat Europa zich aan het omvormen is tot iets nieuws. Ideologisch gezien voel ik me een Europeaan en ik ben dan ook op verschillende manieren betrokken bij de EU. Verhofstadt vroeg me bijvoorbeeld al in 2001 om na te denken over de iconografie van de EU en de invloed van de Unie op Brussel.”

Net als andere architecten van uw generatie kreeg OMA zijn eerste opdrachten veelal van de (semi-)overheid. Daar hoeven jonge architecten niet meer op te rekenen: de overheid heeft zich uit de architectuur teruggetrokken.

„Ik heb inderdaad het geluk gehad dat ik als architect begon toen er nog een overheid bestond. Maar het gekke is dat hoewel ik theoretisch heb beredeneerd hoe het architectenvak is veranderd door de markteconomie, OMA nog steeds veel overheidsopdrachten heeft. Daar streven we ook nadrukkelijk naar.

„Toch hoeven beginnende architecten niet te wanhopen. Architectuur heeft zich verbreed en omvat nu veel meer dan alleen het fysieke object. Je kunt als architect nu bijvoorbeeld ook de rol spelen van begeleider van een veranderingsproces. Wat invloed betreft, zou ik het een mooi idee vinden als OMA een rol heeft gespeeld bij de vergroting van het repertoire van de architectuur .”

U hebt niet alleen veel ontworpen, maar ook veel geschreven. Wat betekenen de boeken in uw werk?

„Mijn rol als schrijver is even belangrijk als die van architect. Maar als schrijver heb ik veel misverstanden opgeroepen. Zo heb ik veel over de effecten van de globalisering geschreven. Tot mijn verbijstering ben ik hierom vaak beschouwd als cheerleader van het neoliberalisme. Het gaat hier om een fundamentele misreading: ik ben juist kritisch. Maar als ik schrijf dat de marktwerking in de architectuur heeft gezorgd voor een kolossale hoeveelheid junk space, zet ik er niet bij dat dat verschrikkelijk is.”

Hoe is dit misverstand in de wereld gekomen?

„Mijn probleem met Nederland is dat in dit land niets verteerd kan worden zonder een enorme dosis moralisme. Ik vind dat je naar fenomenen moet kijken alsof je voor het eerst marsmannetjes ziet. Moraliseer niet, interpreteer niet – ik probeer nu Armando te citeren – ironiseer niet en parodieer niet. Dat is en blijft mijn positie.”