Troefkaart

Ik zag een Purmerendse vrouw op televisie. Ze stond achter de dranghekken voor het gemeentehuis in haar woonplaats heel erg uit te stralen tegen de komst van vluchtelingen te zijn. Maar dat zei ze niet, ze zou daar gek wezen, er waren er voor minder uitgemaakt voor racistisch. Nee, ze was gewoon een heel erg bezorgde moeder in een regenpak.

„Mijn kinderen fietsen daar elke dag langs”, zei ze over de plek waar de vluchtelingen eventueel gehuisvest zouden worden.

Ik had nog nergens gelezen over vluchtelingen die fietsende kinderen aanvielen of van de fiets aftrokken maar de verslaggever van dienst vond het schijnbaar een valide argument.

Tegen de ‘bezorgde ouder’ of kindervriend(in) was in ‘de vluchtelingendiscussie’ schijnbaar geen kruid gewassen. Ook gehoord de afgelopen weken:

„Mijn kleine zusje zit daarnaast op school.”

„Het is dichtbij de speeltuin.”

„Ik denk aan mijn kinderen.”

„Moet ik mijn kinderen dan binnenhouden?”

„Ik sterf voor mijn gezin.”

Wat deze ‘bezorgde ouders’ bedoelden was dat ze tegen de komst van vluchtelingen zijn, maar geen zin hebben om dat hardop te zeggen.

In de huiskamer beseften we dat, negen weken eerder, met de geboorte van de dochter, een troefkaart was toebedeeld die we in iedere discussie naar believen konden inzetten. Om argumenten kracht bij te zetten, maar ook als we geen argumenten of feiten hadden om op terug te vallen. Als je er zelf niet uitkwam, kon nog altijd het kind als een pion met hele lieve oogjes over het speelbord naar voren worden geschoven.

Ik kon niet wachten om me achter haar smalle schoudertjes te verschuilen. Gisteren experimenteerde ik er voor het eerst mee. Er stonden studenten van het uitzendbureau met enquêteformulieren in de vernieuwde supermarkt ter hoogte van de vleeswaren te vragen wat de klanten van de nieuwe inrichting vonden. Met een huilende dochter in de kar heb ik toen gezegd dat ze de tl-verlichting er niet zo prettig vond.

Dom gelul natuurlijk, maar het werd wel meteen genoteerd en er werd met een schuin oog op het brullende kind begrijpend bij geknikt.

Dat ging wel heel makkelijk. Jammer eigenlijk, want als bezorgde ouder was ik graag nog even doorgegaan.

Met de vervolgzin „Je hebt zelf geen kinderen, zeker?” waarmee ze mij weleens de mond hadden gesnoerd, bijvoorbeeld.