Krijgen Rusland en Nederland openlijk ruzie?

Nog geen beschuldigende Nederlandse vingers naar de Russen. En dus ook geen openlijke ruzie. Ook na de publicatie van het rapport van de Onderzoeksraad naar de oorzaken van de MH17-ramp is terughoudendheid het kernwoord voor premier Rutte. „Het is onmogelijk om nu te speculeren op de betrokkenheid van Rusland. Dat zou prematuur zijn”, zei hij in een eerste reactie. Eerst moet nu het strafrechtelijk onderzoek worden afgerond. „Hoezeer ik ook popel”, uitlatingen van Ruttes kant over de schuldvraag zouden dat onderzoek alleen maar kunnen beschadigen. Zelfs het woord aanslag wilde hij niet gebruiken, in verband met alle gevoeligheden.

En zodoende zal de sinds 17 juli 2014 zo ingewikkelde relatie van Nederland met Rusland, beheerst door het levensgrote maar niet uitgesproken vermoeden over de Russische betrokkenheid bij het neerhalen van de MH17, voorlopig blijven voortduren. Hetzelfde geldt voor het diplomatieke schaakspel dat wordt gevoerd vanaf de dag dat de Boeing 777 van Malaysia Airlines boven Oost-Oekraïne werd neergehaald.

Het aanwijzen, opsporen en aanklagen van de daders gaat veel tijd kosten. Hoofdofficier Westerbeke van het Openbaar Ministerie, die de leiding heeft over het opsporingsonderzoek, zei gisteren dat de werkzaamheden van zijn internationale team ook volgend jaar „nog volop doorgaan”. Dit door Nederland geleide Joint Investigation Team kent verder onderzoekers uit Australië, Maleisië, Oekraïne en België. Hun onderzoek is sterk afhankelijk van getuigen en het is volgens Westerbeke „niet eenvoudig” getuigen te vinden die bereid zijn „in veiligheid een verklaring af te leggen”.

Ook voorzitter Joustra van de Onderzoeksraad sprak gisteren tegen journalisten de verwachting uit dat het nog wel „wat hoofdbrekens zal kosten om tot een strafrechtelijke berechting te komen”. Volgens hem is het strafrechtelijk onderzoek aangewezen op „de medewerking van tallozen en in die zin zijn daar nog wel wat stappen te nemen”. Niet de minste onder die tallozen is Rusland. Vandaar de oproep van premier Rutte aan Rusland om „volledige medewerking” te verlenen aan het onderzoek naar de schuldvraag van het OM.

De reactie van Rusland, gistermiddag, op het rapport van de Onderzoeksraad was veelzeggend. Nadat de Russen eerder op de dag al met een persconferentie een eigen onderzoek hadden gepresenteerd waaruit moest blijken dat de aanslag op de MH17 onmogelijk met een Russische raket gepleegd had kunnen worden, kwam de Russische onderminister Sergej Rjabkov van Buitenlandse Zaken met een verklaring waarin hij stelde dat de conclusies van de Onderzoeksraad een „vertekend beeld” gaven.

Oproep via de pers

Niet echt een atmosfeer waarin volledige medewerking kan worden verwacht. Iets waar Rusland zich overigens wel toe heeft verplicht, toen het vorig jaar juli vlak na de crash als lid van de Veiligheidsraad instemde met resolutie 2166. Daarin wordt van alle staten in de regio geëist dat zij volledig meewerken aan het onderzoek om de schuldigen ter verantwoording te roepen. Premier Rutte bracht deze resolutie nog maar eens in herinnering toen hij zijn oproep aan de Russen deed. Een oproep via de pers. De boodschap persoonlijk aan Poetin overbrengen was hij niet van plan, verklaarde Ruttes woordvoerder. Het tekent de verhoudingen. Even illustratief is de reactie van het Russische ministerie van Buitenlandse Zaken dat volgens persbureau Interfax Ruttes oproep „vreemd” noemde. Want Rusland is altijd bereid geweest mee te werken aan het onderzoek.

Het doet veel denken aan de gang van zaken deze zomer, toen de landen van het JIT via Maleisië bij de Veiligheidsraad een poging ondernamen een VN-tribunaal op te richten dat zorg moest dragen voor de berechting van de schuldigen. Dit voorstel werd toen getroffen door een veto van Rusland. Sindsdien is Nederland met de andere vier landen uit het onderzoeksteam op zoek naar alternatieve berechtingsmogelijkheden.

Duidelijk is dat het nog veel tijd gaat kosten. Politici in Den Haag vrezen dat op den duur het momentum verloren gaat om Rusland onder druk te zetten. Of dat opeens geopolitieke afwegingen invloedrijke landen zullen nopen tot een inschikkelijker houding tegenover Rusland. Dan is het definitief aanwijzen van de schuldigen en hun berechting opeens heel ver weg.