Het decor is het geheim van de goede roman

Het is De week van het Nederlands, een initiatief van de Taalunie. Ilja Leonard Pfeijffer en Peter Holvoet-Hanssen gingen op zoek naar het geheim van de roman en het gedicht.

Jarenlang heb ik erover nagedacht wat het geheim is van een goed boek. Nu weet ik het. Ik zal het je vertellen. Als ik het heb over de vraag wat het wezenlijke kenmerk is van een goed boek, heb ik het over de vraag wat het belangrijkste bestanddeel is van een roman. Er bestaan en verschijnen vele miljoenen goede en slechte boeken in allerlei genres, maar wat het geheim is van een goed kookboek, een goede belastinggids, een goed puzzelwoordenboek of een goede academische studie naar in vivo modellen van Ewing-sarcoom in zebravissen, is in grote lijnen wel duidelijk.

Verhalen- en gedichtenbundels zijn zo goed als de afzonderlijke verhalen en gedichten die erin staan. Die moeten we misschien niet beoordelen als boeken. Maar de roman, dat ongrijpbare kunstwerk zonder enige noodzaak waarin alles lijkt te mogen en weinig echt blijkt te functioneren, dat boek dat de pretentie heeft vele uren aandacht te vragen van een lezer zonder de pretentie te hebben dat de lezer er enig praktisch nut aan zal ontlenen, dat genre dat een uitgesponnen vertelling is van vaak meerdere in elkaar gedraaide verhalen die vaker wel dan niet volledig uit de duim zijn gezogen – wat maakt het dat zoiets werkt? Wat is dat ene geheime, fundamentele ingrediënt dat ervoor zorgt dat weldenkende burgers, vermoeide arbeiders en drukbezette deelnemers aan de productiemaatschappij bereid zijn zich uren of dagen achtereen te verliezen aan zulke hersenspinsels van een zonderling en er zelfs, verdomd als het niet waar is, een vorm van genot aan ontlenen?

Ik dacht altijd dat het stijl was. Dat is ook zo, maar dat is het niet. Stijl is de voorwaarde, niet de kern. Hetzelfde geldt voor structuur. Technische beperkingen mogen niet in de weg staan. Het is net als bij een beeldhouwer of een architect. Zij moeten zich uitgebreide, gedetailleerde en uiterst complexe kennis eigen maken van steensoorten, het gieten van brons, materiaaleigenschappen en constructies en die in de praktijk volledig in de vingers krijgen, maar dan begint het pas. Je moet gewoon alles weten en kunnen om oplossingen te bedenken die het mogelijk maken om te maken wat je wilt maken. Hoewel het overgrote merendeel van de schrijvers dat niveau nooit zal bereiken, is volledig meesterschap van het ambacht tot op het punt dat techniek simpelweg geen rol meer speelt het begin en uitgangspunt van schrijven, niet het geheim.

Sommigen denken dat het de inhoud is. Maar wat is de inhoud anders dan de roman zelf? Een roman is geen betoog en draagt geen standpunt uit. Het kan zijn dat de roman raakt aan thema’s die mensen in hun eigen leven ook onderscheiden, zoals het voorspelbare falen in de liefde, of aan actuele ontwikkelingen, zoals de vervagende grens tussen feit en fictie of toename van het aantal vluchtelingen. Misschien is dat zelfs wenselijk. Maar de lezer zal aan zijn lectuur geen visie overhouden, want de roman zal hopelijk alleen maar meer nuances aanbrengen en de lezer zijn zekerheden ontnemen. Het kan zijn dat dit het doel is van de roman, maar het is niet de reden waarom lezers hem uitlezen. De actuele of anderszins herkenbare thematiek kan een valse belofte van nut inhouden, maar zij verklaart niet waarom hij wordt gefascineerd en gegrepen en niet meer in staat is om het boek weg te leggen.

Wat is dat dan? Wat is het geheim van een roman die je bij de lurven grijpt en niet meer loslaat? Ik weet het nu. Ik zal het je zeggen. Het is het decor.

Dat geldt overigens niet alleen voor romans. Bij speelfilms, een genre dat zeer aan de roman verwant is, gaat het grootste gedeelte van het miljoenenbudget op aan het decor. We willen Gotham City zien, Rick’s Bar in Casablanca, de vreemde werelden van Star Wars, de verlaten prairie waar de postkoets doorheen rijdt en de berg tussen de Pachitea en de Ucayali waar Fitzcarraldo zijn stoomboot overheen hijst en de betoverende planeet Pandora waar de Na’vi wonen. Zet dezelfde acteurs met dezelfde dialogen op een lege vloer en het werkt niet. Tot de uitvinding van de film was het in theaters net zo. Het applaus klonk toen het doek opging. Een verhalenverteller aan het kampvuur begint met het neerzetten van het decor voordat hij überhaupt aan zijn spannende verhaal toekomt: ‘Het was een donkere, maanloze nacht in een uitgestrekt woud ...’

De beste romans die ik heb gelezen, hebben gemeen dat zij een wereld oproepen waarnaar ik telkens wilde terugkeren. Alle Russische romans zijn zo. Al die honderden graven, maarschalken en generaals met al hun lange, onuitspreekbare namen in Oorlog en vrede zijn slechts interessant in zoverre zij deel uitmaken van een magnifiek decor dat totaal betovert. De Odyssee, als we die voor het gemak even een roman noemen, is een subliem geconstrueerd meesterwerk in golvende verzen, maar ontleent een groot deel van haar magie aan Ithaka, het verlangen naar Ithaka en de zee en de werelden die dit verlangen in de weg staan. De romans van Couperus ademen sfeer door hun decors, of dat nu Den Haag is of Indië. Als je Ottilie Dercksz en Emile Takma uit hun claustrofobische Haagse salons zou halen of Leonie van Oudijck uit Laboewangi en als je de rest intact zou laten, de plot, de verhaallijnen, de structuur en de dialogen, zou het niet werken.

Het decor hoeft niet per se exotisch te zijn. Het Nijmegen of Amsterdam van Adri van der Heijden zijn in al hun herkenbaarheid gemythologiseerd tot betoverende plekken. Het zomerkamp in het magistrale epos De opdracht van Wessel te Gussinklo is in al zijn schijnbare banaliteit een wereld op zichzelf. Het is geen aangename plaats om te toeven, maar dat hoeft niet. Als het maar fascineert. Als het er maar is. De werelden van Allard Schröder zijn zelden knus en geruststellend, maar zijn meesterwerk Wenst zou geen meesterwerk zijn als het decor van het fictieve Groningse plaatsje zijn schaduw niet over elke pagina zou werpen als een gitzwarte wolkenlucht, zwanger van onheil.

Gabriel García Márquez, zelf een groot decorbouwer, heeft gezegd dat elke goede roman een streekroman moet zijn. Hij bedoelde hetzelfde als ik nu probeer te zeggen. Elke goede roman speelt zich heel erg ergens af. Zelfs als die plek fictief is, beschrijft de schrijver hem in zoveel detail, geuren en kleuren, dat het lijkt alsof hij er is opgegroeid. Als de lezer na lectuur het gevoel heeft dat hij er is geweest, is het boek geslaagd.