Heerlijk toch, als het publiek mij irritant vindt?

Kiki Schippers stond tweemaal in de finale van een groot cabaretfestival. Nu komt ze met een eigen voorstelling die ook haar familie moet begrijpen. ‘Als het goed is gaan je haren overeind staan.’

Prikken noemt Kiki Schippers het. Uitdagen. Mensen uit de tent lokken. De cabaretière is er dol op. „Ik ben altijd aan het prikken. Dat is in het dagelijks leven ook zo, in gesprekken. Kijken wat er gebeurt. Mensen die dat niet kunnen hebben, vinden mij ook echt niet leuk.” Ook in een interview kan ze het niet laten. Of de interviewer de nieuwe Peter Sloterdijk al heeft gelezen. „Nee, jij leest helemaal niet. Alleen de Donald Duck zeker?” Ze lacht er zelf hard om.

Ze betitelt zichzelf als „niet zo’n opgeruimd type”. „Brigitte Kaandorp is natuurlijk de koningin van het klunzengenre, maar bij mij gaat er ook van alles mis. Gister reed ik weg bij het theater met op mijn dak twee kranten en mijn huissleutels. Het heeft iets hulpeloos. Dat draag ik met me mee.”

Schippers is een van de cabarettalenten die dit seizoen op het punt van doorbreken staan. De afgelopen jaren stond ze tweemaal in de finale van een groot cabaretfestival. In 2013 speelde ze met een band op het Leids Cabaretfestival en vorig jaar acteerde ze solo op Cameretten in Rotterdam, waar ze de Persoonlijkheids- en de Publieksprijs won. Donderdag is de première van haar eerste avondvullende cabaretprogramma, Wie Kijkt.

Schippers studeerde een jaar wijsbegeerte, ging naar de toneelschool en volgde vervolgens een opleiding op de Koningstheateracademie in Den Bosch, waar onder anderen Pieter Derks, Katinka Polderman en Louise Korthals schoolgingen. Geregeld heeft ze een column bij nachtprogramma Druktemakers op Radio 1. Schippers groeide op in Woerden, als dochter van de succesvolle kinderboekenschrijfster Tosca Menten. Haar vader, die na een studie geneeskunde buschauffeur werd, overleed op jonge leeftijd.

Je begon met een band. Wilde je eigenlijk de muziek in?

„Wat ik doe, begint met liedjes schrijven. Daar komt alles vandaan. In mijn voorstelling zing ik veel liedjes, maar alleen muziek maken leek me saai. Inspiratie haal ik bij wel bij muzikanten, zoals Mercedes Sosa en Rufus Wainwright. Wat zij goed kunnen is eerlijke muziek maken. Je voelt dat er een ziel aan het zingen is.”

Sosa en Wainwright zijn ook theatrale muzikanten.

„Ja, het theatrale is mijn andere kant. Het is tof als die twee in evenwicht zijn. Daar zoek ik zelf ook naar.”

Hoort bij eerlijk zijn vertellen over je verloren liefde?

„Ik had knetterveel ideeën voor de voorstelling en dan word je gedumpt en val je dood neer. A fool for love ben ik. Ik heb iets gezien wat ik niet wilde zien. Dat moet er dan in, want het is een goed verhaal en je moet iemand zien leven of sterven op het podium.”

Van een cabaretier wordt ook humor verwacht. Wanneer ontdekte je dat je grappig was?

„Op de basisschool werd ik altijd gepest, omdat ik een vaag kind was dat rare dingen deed, maar in de tweede van het gymnasium ontdekte ik dat de klas naar mij luisterde als ik grapjes maakte. Ik mocht mezelf laten horen. Thuis was mijn moeder de prater, degene die altijd grapjes maakte. Daar zal ik wel wat van hebben meegekregen. En ik heb gewoon een grote mond.”

Hoe was het prijzen te winnen bij Cameretten?

„Waanzinnig. Ik had niet de juryprijs gewonnen, maar ik mocht wel aanschuiven bij Pauw. En ik mocht een lied zingen. Dat levert respect op. Veel mensen in het cabaret kenden me wel van gezicht, want ik ga veel kijken op festivals en open podia, en ik hou van bier drinken, maar niet iedereen weet precies wat je doet. Opeens opent de wereld zich. Nu heb ik eindelijk een impresariaat.”

Waarom dacht je dat het in Rotterdam beter zou gaan?

„In Leiden mocht niemand vooraf mijn teksten lezen. Voor Cameretten dacht ik: iedereen moet eroverheen. Ik hoor het liever nu van mijn moeder dan straks van de jury. Dat leverde zo veel kritiek en feedback op, dat ik me bij de optredens heel sterk voelde. Wat anderen stom vonden, maar wat ik wél leuk vond, deed ik toch en waar ik onzeker over was, kon ik veranderen. Ik luister echt niet naar alles. Ik ben stronteigenwijs. Vraag maar aan Wilhelmer van Efferink, mijn regisseur.”

Hoe is je debuutprogramma ontstaan?

„Ik had het lied ‘Wie kijkt’ geschreven en vroeg me af waarom het niet fijn is om voortdurend bekeken te worden. Wie wil wat controleren? Zo kwam ik op het concept van vrijheid. Vrijheid wordt tegenwoordig meestal uitgelegd als de vrijheid om te doen wat je wilt doen. Maar wat ik zie, is dat we leven in veiligheid, afgeschermd van anderen.

„Mijn idee van vrijheid is kunnen loslaten en kunnen toelaten. Dan heb ik het over vluchtelingen toelaten en leven in weelde loslaten. Er gaat veel veranderen. Het afschermen van onze rijkdom houden we misschien nog een generatie vol, maar ik ben 27, dus ik denk dat we ons open moeten stellen voor nieuwe ideeën en waarden. Daar stel ik vragen over. Maar ik wil ook een voorstelling maken die mijn familie begrijpt.”

Wat bedoel je daarmee?

„In mijn familie leven ook Leefbaar- en PVV-sentimenten. Niet bij mijn moeder, maar ik heb het woord kutmarokkaan weleens op familiefeestjes gehoord.”

Hoe ga je daarmee om?

„Het zijn mensen van wie ik veel hou, dus ik probeer er rationeel mee om te gaan en door te vragen – de discussie in een groter perspectief te plaatsen. Dan gaat het bijvoorbeeld over mensen die ze kennen, die jaren op een wachtlijst voor een huis staan, terwijl vluchtelingen zo maar in een huis zouden mogen. Of dat rechtvaardig is. Dan vraag ik: wat is rechtvaardigheid? Is het rechtvaardig dat elke Nederlander een eigen auto en een eigen huis bezit?”

„Bij zo’n discussie kan ik me wel verstoppen achter mijn krant en mijn kunstzinnige vrienden, of me van die opvattingen distantiëren en roepen dat het stom is, maar die familieleden willen ook naar theater en het zou tof zijn als ik hen met cabaret ook bereik.”

Hoe doe je dat dan?

„Door zaken goed uit te leggen. Door te prikkelen en netelige kwesties geestig te maken. Van het maken van radiocolumns heb ik geleerd dat je meer losmaakt door een tegengestelde mening te geven.”

Zoals in het stukje over Calais, waarin je klaagt dat de vluchtelingen je vakantie verpesten?

„Als het goed is, gaan dan je haren overeind staan. Ik wil shockeren en even de rol van slechterik spelen. Heerlijk toch als het publiek mij irritant vindt? Ik hou van dialectiek, van het niet met elkaar eens zijn. Ik ben van het ideetjes opwerpen en achtbaantjes maken van gedachten.”

In de voorstelling citeer je de Griekse filosoof Epictetus. De liefde voor filosofie is niet verdwenen?

„Ik lees heel veel filosofie. Heb je Het digitale proletariaat gelezen, van Hans Schnitzler? Schnitzler schrijft dat alles wat wij doen, wordt omgezet in data waarmee we het systeem voeden. Ondernemingen voeden zich met onze bezigheden op Facebook. Ik kan daar uren over praten. Ik heb mijn dagen ingericht rond momenten om te delen, om foto’s van te maken en op Facebook te zetten. Dat is toch bizar? Maar het is goed om daar vragen bij te stellen.

„Misschien wil ik te veel voor een debuut. Maar dat ik leuk kan zingen en een mooi lied kan schrijven, heb ik wel gehoord. Ik wil een volgende stap zetten.”